Archief voor januari 2008

h1

Foert.

30 januari 2008

Foert‘ dacht ik gisteren, toen ik voor de zoveelste keer op Etsy naar één van mijn favoriete oorbellenparen zat te kijken. Een ander paar dat ik zo enorm mooi vond had ik enkele dagen geleden zien uitverkopen, onder mijn neus. Geen aanstalten gemaakt om ze zelf ook te kopen. ‘Foert‘ dacht ik deze keer echter, en ik drukte op de ‘buy’ knop. Dus binnen dit en een tiental dagen mag ik een kadootje in mijn bus verwachten.

Foert‘ dacht ik enkele weken geleden. Het kan me niet schelen dat het veel kost. Het kan me niet schelen dat jongeren vandaag de dag geacht worden te sparen. ‘Foert‘, dacht ik en ik kocht een reis naar Alaska. Toen ik gisterenavond in de cinemazaal naar de prachtige beelden van ‘Into the wild‘ zat te kijken moest ik me inhouden om niet luidkeels te roepen ‘daar ga ik ook naar toe!!’ tegen iedereen in de zaal. In plaats daarvan een grote grijns op mijn gezicht en lekker diep wegzakken in de rode zeteltjes.

Foert‘, dacht ik. ‘Het kan me niet meer schelen dat het niet mag.’ Ik houd van zijn warme armen. Van zijn bruine haren, van zijn bruine ogen. En dus keek ik er in.

Foert‘, dacht ik, ‘het kan me niet schelen dat dit uit de mode is. Het kan me niet schelen dat dit de hobby van mijn oma is’. En ik zette me aan een borduurwerkje. Ja, ik word daar rustig van. En ja, daarna ga ik sjaals leren breien.

h1

De nacht wacht.

28 januari 2008

Het raam staat open. De lucht is diep blauw. De nacht wacht. De vogeltjes fluiten. Wanneer heb ik voor het laatst vogeltjes horen fluiten, alsof het een warme zomeravond is? Ik herinner me het niet meer. Ik zou vaker zulke geluiden moeten opmerkingen, in plaats van het constant gezoem van auto’s, het gebabbel van mensen, het geraas van treinen.

Vogeltjes fluiten altijd. Vogeltjes fluiten altijd vrolijk. Ik heb nog nooit een vogeltje somber horen fluiten.

En ik, ik ben droevig. Want ik heb ruzie. Ruzie met de persoon die voor mij het meeste betekent van alle personen op deze ganse vervloekte aardbol. Ik heb ruzie met mama. Over alles, over niets. Over dingen die toch niet kunnen veranderen. Over dingen waarvan we wéten dat we er ruzie over hebben. Over dingen waarover niet gepraat kan worden. Over dingen waarover gepraat moét worden. Maar het gaat niet, het gaat niet.

En zo moe, zo moe dat ik daarvan word.

De vogeltjes zijn gestopt met fluiten, de lucht is zwart als de dood, de nacht is gestopt met wachten en doet zijn intrede.

h1

“Ammehoela”, dacht ik, en ik ging naar de prof.

25 januari 2008

Een tweetal weken geleden begonnen mijn twee kleinste vingers aan mijn linkerhand te jeuken. Nu ja, technisch gezien niet mijn twee kleinste vingers – zijnde de duim en de pink , en zelfs niet de voorlaatste kleinste vingers, want mijn wijsvinger is kleiner dan mijn ringvinger aan die kant, maar om het niet moeilijker te maken dan het al is: ik bedoel gewoon mijn pink en mijn ringvinger.

Mijn pink en mijn ringvinger jeukten dus. En zagen rood. Oorspronkelijk dacht ik dat het kwam door de koude buiten en het handschoenen dragen in het labo en het vele wassen van mijn handen. Tot er blaasjes op verschenen met vocht in. Bij dewelke ik het natuurlijk niet kon laten ze telkens opnieuw uit te pitsen. Zeer pijnlijke rode plekken en nog meer joeksel waren het gevolg.

Gisteren maakte ik een opmerking over mijn twee vingers aan een collega. Ze vroeg waarom ik niet naar een dokter geweest was. Ik zei dat ik het stom vond om naar een dokter te gaan als ik me niet ziek voelde en dat ik niet ècht ergens pijn had – een soort pijn waarbij je niet meer kunt nadenken of waardoor je niet meer naar behoren kunt functioneren – en dat ik geen zin had om weer geld uit te geven aan een dokter en ja dat ik wist dat dat wel terugbetaald werd en ok, dat ik misschien inderdaad gewoon te lui was om een afspraak te maken en langs de dokter te gaan. “Waarom ga je niet naar de prof?” vroeg ze daarop. Een “huh” en een schaapachtige blik van mij later wist ze me te vertellen dat mijn promotor zowaar een geneesheer is met een risivnummer en een praktijk in het ziekenhuis in Brussel alwaar hij een specialist in allergiën is.

“Ammehoela”, dacht ik, en ik ging naar de prof.

Een blik op mijn vingers en enkele vragen van zijnentwege later viel het verdict: een virusinfectie op mijn vingers. En hij gaf me meteen een voorschriftje mee voor een zalf.

En nu zit ik dit hier te typen met maar acht vingers, omdat ze met een vettige witte zalf zijn ingesmeerd, die twee kleinste vingers die technisch gezien niet mijn kleinste vingers zijn en zelfs niet mijn voorlaatste kleinste vingers, maar dat wist u al.

h1

Klein meisje, groot wonder.

22 januari 2008

Desondanks mijn vorige post mocht ik dit weekend eventjes Elisabeth vertroetelen. De schitterende dochter van hem en haar. Kleine handjes, kleine voetjes, klein meisje, groot lawaai. Maar o zo zacht en o zo lief. Mijn hart smolt.

En geef toe, aan de foto’s te zien is het nog niet zò erg, daar in die draagzak bij Lime.

img_6214.jpg   img_6218.jpg

img_6238.jpg

h1

Over plantjes, huisdieren en kindjes.

20 januari 2008

Men heeft mij altijd verteld dat de juiste volgorde als volgt is: plantje – huisdier – kindje. Kan je een plantje in leven houden, dan mag je een huisdier proberen. Als dat je lukt, mag je aan kinderen beginnen.

Een tijdje geleden zijn twee plantjes die ik had gekregen van een vriendin gestorven. Uitdroging, vermoed ik. Het waren zonnebloempjes, van die kleintjes. Ze vertelde me dat het moeilijke plantjes waren en dat die vroeg of laat altijd stierven. Maar een paar weken geleden zijn mijn twee ‘gemakkelijk in onderhoud’-planten  ook een wrede dood gestorven. Verwaarlozing, uitdroging en te weinig zon zijn een paar van de mogelijke oorzaken.

Ik zal dus toch nog maar even wachten met een kat te houden.

Vrijdag heb ik van diezelfde vriendin een tweede kans gekregen. Ze heeft me een ultramooi vetplantje gegeven. ‘Makkelijk in onderhoud’.

Ik doe mijn best.

img_6198.jpg

Op de voorgrond het nieuwe levende plantje. Op de achtergrond het iets minder levende plantje.

h1

goede voornemens

18 januari 2008

En hoe lang hield U Uw goede voornemen(s) vol?

Ik welgeteld 17 dagen. Zeventien. Ik ben een watje.

h1

Over in de maat lopen en koude voeten.

17 januari 2008

En plots begreep ik het. Waarom mijn voeten zo koud hadden telkens ik buiten kwam. Waarom mijn sokken elke avond nat bleken te zijn. Waarom het tochtte in mijn schoenen. Waarom de ‘Oh, mooie schoenen, van waar heb je die?’ van mensen langzaam maar zeker veranderde in “Het zijn solden, zou je niet eens gaan kijken voor nieuwe schoenen?”

Er bleek een gat in te zitten, aan mijn hielen. En niet zomaar een gat. Een GAT. Een gat om U tegen te zeggen. Twee vingers pasten er door.

Overal ben ik gaan kijken voor nieuwe schoenen. In Antwerpen, Leuven, Genk en opnieuw naar Antwerpen. Alwaar ik uiteindelijk het uitverkoren paar gevonden heb. Met hakje en al. Kei-elegant. Bon, het zou elegant zijn moest ik er elegant op gaan. Elegant waggelen bestaat niet.

Maar goed. Hakjes heb ik. En ze klinken! Van ver! Heel Gasthuisberg hoort het als ik door de gangen wandel. Het KMI rapporteert seismologische waarnemingen! Klik-klak-klik-klak-klik-klak. Het klinkt als muziek in de oren.

Ach, ik loop tenminste altijd in mijn eigen maat nu.

h1

Over bloemsuiker.

11 januari 2008

Onlangs had ik zin in pannenkoeken. Heel. Erg. Veel. Zin. Na vier dagen doen alsof ik geen zin had in pannenkoeken hield ik het niet meer en moest en zou ik pannenkoeken eten.

Wat zijn pannenkoeken zonder suiker echter? Gewapend met mijn portefeuille deze keer trok ik richting GB alwaar ik donkerbruine suiker, witte kristalsuiker en bloemsuiker wou gaan kopen. De eerste twee vond ik met gemak, die derde bleek iets moeilijker te zijn.

“Staat de bloemsuiker bij de bloem of bij de suiker?” vraag ik een GB-mevrouw.

Nu weet ik ook wel dat een paardenbloem een soort bloem is en geen paard of dat krokodilletranen een soort tranen zijn en niet een soort krokodil en dat bloemsuiker bijgevolg een soort suiker is en niet een soort bloem en dus bij de suiker hoort te staan, maar je weet natuurlijk nooit in hoeverre het GB-personeel deze grammaticaregels onder de knie heeft.

“Staat de bloemsuiker bij de bloem of bij de suiker?” vroeg ik dus aan een personeelslid. Ze bekeek me raar – kende de regels blijkbaar – en antwoordde “Bij de suiker natuurlijk.” Nadat ik haar ervan overtuigd had dat daar géén bloemsuiker stond ging ik samen met de juffrouw de winkel door, op zoek naar bloemsuiker. Uiteindelijk een klein doosje bloemsuiker van 250 g gevonden. Bij de suiker. Een mens kan er al eens overkijken natuurlijk.

Drie dagen lang heb ik pannenkoeken gegeten – de eerste dag bleken mijn ogen groter dan mijn maag – en nu zit ik uiteraard met een overschot suiker. 976 g donkerbruine suiker. 986 g witte kristalsuiker. En 207 g bloemsuiker.

h1

De Weerelt

8 januari 2008

Ik wil reizen. Nieuwe mensen ontmoeten, nieuwe plaatsen zien, nieuwe ervaringen opdoen. Me verwonderen over de schoonheid van de natuur. Cultuurshocks ondergaan. Verbaasd zijn over hoe alles overal zo verschillend is en uiteindelijk toch zo hetzelfde. Ik wil de wereld zien.

Ach, je moet klein beginnen, dacht ik, en ik stapte café ‘De Weerelt’ binnen.

Daar ontmoetten we enkele vrienden die voor een tweetal weken waren overgevlogen van het wondermooie Florida. Over België praten. Hij vond het fantastisch dat we zoveel te voet of met de fiets deden. Zei dat hij onze levenswijze wou nadoen en dus ook alles met de trein, bus of te voet deed. Maar nu was hij wel moe, zei hij.
‘Is de kerk mooi vanbinnen?’, vraagt ie. Ik neem hem mee, want ik weet het zelf niet. Wafels eten en vooral niet lachen om de suiker er niet af te blazen. Toch lachen.

De toerist uithangen in je eigen stad.

En in je eigen land. Dit weekend Genk gaan bezoeken. Vrienden ontmoeten, steppegras eten, wandelen. Doorreizen naar Hoeselt. Mijn vierjarige nichtje wou enkel bij mij slapen als ik haar echte nichtje was en geen robotnichtje. Nadat ik haar daarvan overtuigd had een korte nacht met veel armen en benen die af en toe mijn kant uitvlogen. Raar hoe zo’n klein wezentje zoveel plaats kan innemen. ‘s Anderendaags Limburgse vlaai eten, wandelen en een nieuw bedje gaan uitzoeken voor datzelfde nichtje.

Maar het is niet genoeg. Ik wil meer. Ik wil verder, dingen zien die ik voorheen nog nooit gezien heb. Dus telde ik mijn spaarcenten, dacht ik drie dagen na, telde mijn spaarcenten nog eens en boekte een reis naar Alaska. Deze zomer. Ik.

h1

Mijn ventje

4 januari 2008

Nooit vertel ik over hem, over mijn kereltje. Omdat hij enkel mijn kereltje is als wij tweeën samen zijn en de rest van de wereld niet bestaat. Van zodra die rest van de wereld om de hoek komt piepen ben ik hem kwijt. Dan fladdert hij rond, van feestje naar feestje, van meisje naar meisje.

Vroeg of laat eindigt hij telkens weer bij mij, voor mijn voordeur, in de kou, in de nacht, bedelend om een zoen, een knuffel. Maar terwijl hij mij kust kijkt hij schichtig om zich heen. Hoe steviger ik hem vastneem, hoe sneller hij mij ontglipt. En dan vertrekt hij weer.

Telkens wanneer ik denk dat ik hem voorgoed kwijt ben, dat de tijd gekomen is om mijn hoofd op te ruimen en te doen alsof ik hem nooit gekend heb staat hij daar weer. Zot word ik er van. Waanzinnig. En toch. Telkens weer sluit ik hem in mijn armen en aai hem door zijn haren en zoen hem en vertel hem dat hij en ik, dat wij samen horen, dat hij van mij is en ik van hem, dat niemand hem zo lief heeft als ik.

Hij weet het, zegt hij. Hij weet het. Kijkt in mijn ogen, kust me, aait me door mijn haren. Wordt wakker naast me, staat op en vertrekt. Naar de rest van de wereld.