Archief voor mei 2008

h1

De dag dat alles fout liep (2)

31 mei 2008

Na zijn berichtje gelezen te hebben kom ik thuis en gooi mijn zak in een hoek van de kamer en mezelf op bed. Ik leg mijn gezicht in mijn handen. Ik weet niet meer wie ik ben of wat ik voel. Alles loopt doorheen. Mijn hoofd is veel te vol en tegelijkertijd leger dan ooit tevoren. Ik ben op. Dood- en doodmoe voel ik me. Na een eeuwigheid zo gezeten te hebben en drie lange en diepe snikken sta ik op om mijn tranen van mijn gezicht te wassen. Ik sta voor mijn lavabo en kijk naar mijn rode gezwollen gezicht in de spiegel. Ik glimlach. Het lukt niet. Wezenloos staar ik een beetje naar mezelf.

Ik buig me voorover om wat water in mijn gezicht te gooien en dan valt mijn oog er op.

Drie jaar lang heb ik hier op gewacht. Drie jaar vol hoop, twijfel, verliefheid, kwaadheid maar bovenal een steeds hechter wordende vriendschap. Onlangs schreef ik er nog over. Dat ik een vermoeden heb dat deze vriendschap toch meer is dan vriendschap dan we zelf willen toegeven. Dat het maatjes en vrienden zijn op een gegeven moment, tussen alle andere verhaallijnen door, overgegaan is in een houden van en echt geven om elkaar. Dat ik dacht dat hij mij graag zag. En plots is het zeker. Maar wat een gigantisch verkeerde timing.

Overdag heeft hij een tandenborstel, met zijn naam op, strategisch naast de mijne gelegd.

En ik huil. Van ontroering, verdriet. Van verwarring en opluchting. Uit wanhoop en hoop. Van verloren liefde en nieuwe liefde.

h1

De dag dat alles fout liep (1)

28 mei 2008

“What’s up with the silence? xx”, vraag ik je, wanneer ik 3 weken niets van je hoor. Luchtig en nonchalant geformuleerd – althans, dat hoop ik, ik heb er 2 uur over nagedacht.

Ik leerde je op een niet alledaagse manier kennen. Het werd een rollercoaster. Hoogtepunten, diepe dalen. Ik werd meegezogen. Stapelverliefd werd ik. Jij was het. Mijn maatje, mijn vriendje. De jongen met wie ik ’s nachts parken zou binnendringen om onder de heldere sterrenhemel een fles wijn te drinken. De jongen met wie ik tot zes uur ’s ochtends dronken zou dansen. De jongen die mijn haar uit mijn gezicht zou strijken, vandaag, morgen, de rest van mij leven. Jij was diegene met wie ik de wereld zou verkennen, hand in hand. Jij was diegene naast wie ik elke ochtend zou wakker worden. Jij was diegene die me zou vertellen dat wij twee, dat wij samen fantastisch zijn. De eerste jongen tegen wie ik fluisterde dat hij de ware was – want dat zijn belangrijke en gewichtige woorden en je moet dat voorzichtig uitspreken. Proeven van de klanken omdat zo’n dingen niet vaak gezegd worden. Jij zou diegene zijn met wie ik in een dronken bui in Las Vegas zou trouwen. Om het dan thuis netjes over te doen om onze oma’s niet te choqueren. Jij zou de boterhammen met choco van mijn kinderen smeren. Jij zou diegene zijn die mij ouder zou zien worden. Ik zou je vertellen dat ik je ook graag blijf zien, ook al word je grijs of kaal en zou je beetje bij beetje ineenzakken. Jij zou diegene zijn die me later mijn fruitsap met een rietje geeft en met vertelt dat je van me houdt, nog steeds, na al die jaren.

“What’s up with the silence? xx”, vraag ik je, wanneer ik 3 weken niets van je hoor.

“Ik weet niet goed hoe ik het je moet vertellen”, schrijf je me en vertel je me later die avond, “ik heb een vriendin.”

h1

Op.

27 mei 2008

‘De dag dat alles fout liep’, ging de titel worden van mijn volgende stukje. Maar ik krijg het niet verteld. Mijn hoofd is leeg, mijn woorden op.

h1

Over treinen en hippies.

23 mei 2008

Een tijdje geleden nam ik op een vrijdagavond de trein naar huis. Zoals al jaar en dag het geval is nemen alle mogelijke studenten van alle mogelijke richtingen en alle mogelijke scholen, hogescholen en universiteiten op vrijdagavond de trein naar huis. De treinen op vrijdagavond zitten dus altijd over- en overvol. Ik kwam net op tijd in het station aan en sprong als één van de laatsten op de trein, de deuren schoven vlak achter mij dicht. Er bleek enkel nog plek te zijn in die treintussenstukjes, je weet wel, tussen twee coupés door.
Hielden mij gezelschap in dat specifieke treintussenstukje: een student, een andere student, nog een student, nog twee studenten en ten slotte nog een hippie met een grote trekrugzak en een fiets.

De treinrit van Leuven naar Antwerpen duurt wel even, en buiten me concentreren op het mooi recht blijven staan en niet omvallen tegen andere mensen had ik niet veel om handen. Dus bestudeerde ik het meisje met het hippe zwarte kapsel en vijf oorringen en het te korte jeansjasje en haar vriend, die haar haren uit haar gezicht streek en een knipoog gaf die alleen voor haar bestemd was maar ik ook gezien had. Ze zagen er verliefd uit, die twee, en een steek van jaloezie trok door mijn maag. Een kleintje, maar toch. Vervolgens bestudeerde ik de koersfiets van de hippie en de hippie zelf, die als enige op de grond zat met een boek op zijn schoot en naast hem een verkreukelde broodzak met wit brood er in en een reep chocolade. Om de tien minuten nam hij er een snede brood uit en nam hij een stukje chocolade uit het pakje en at deze traag op terwijl hij geconcentreerd in zijn boek bleef lezen. Ik bekeek zijn rugzak die open stond en vroeg me af van waar hij kwam en naar waar hij ging. De rugzak zag eruit alsof hij al veel landen gezien had. De hippie ook.

En toen viel mijn oog op zijn naam, die voor mij ondersteboven op de binnenkant van de rugzak geschreven stond. Ik vroeg me af of ik van zijn naam kon afleiden vanwaar hij was. Ik tuurde en trachtte de letters te ontcijferen. ‘Marc’….nee… ‘Mare’, las ik. Maar dat leek me een rare voornaam, dus keek ik nog eens goed. ‘Hare’ stond er. Mmmmh, dacht ik. Speciale voornaam. Geen idee van waar hij was. Toen was het de beurt aan de achternaam. Ik concentreerde me weer op de kleine lettertjes en las zijn achternaam. ‘Krishna’.

h1

Hij ziet mij graag.

20 mei 2008

Hij ziet mij graag. Ik merk het aan kleine dingen. Hoe hij mij vraagt hoe mijn weekend geweest is. Hoe hij naar mij kijkt. Hoe hij me vertelt dat hij mij mooi vindt. Met of zonder puistjes. Hoe hij mijn bed opdekt. Hoe hij het niet duldt als ik hem mijn wang aanbied, maar mijn gezicht tussen zijn handen neemt en de zoen op mijn mond plant. Hoe hij jaloers is, als anderen hun tijd met mij verdrijven. Hoe hij naar mijn hand grijpt als we samen ergens naar toe gaan. En hoe hij deze niet loslaat, ook niet als we vrienden van hem tegenkomen. Daags nadien vertelde hij me dat zijn vrienden aan hem vroegen wie zijn vriendinnetje was. Ik lachte, maar heb niet naar zijn antwoord gevraagd. Hij vertelt over later. Over zijn acht kinderen. Over mijn vier zonen. Of ze dezelfde zullen zijn, zijn en mijn kinderen. Soms zwijgt hij plots, en zoekt met zijn mooie bruine ogen de mijne op. Als hij mijn naam zegt zet hij er steevast het bezittelijk voornaamwoord ‘mijn’ er voor.

Maar ik, ik weet het allemaal niet meer. Ik ben mijn hart verloren. Heel erg plots en heel erg erg. Aan een jongen van wie ik nu niet veel meer hoor. Ik durf geen contact met hem te zoeken, te bang dat mijn hart opengereten wordt, voor de zoveelste keer. Dus zwijg ik.

En geniet ik, van deze warme vriendschap die mischien toch meer dan vriendschap is dan we beiden willen toegeven. Bij hem is alles vertrouwd, hem ken ik al zo lang. Bij hem hoef ik geen schrik meer te hebben. Hij kent mij door en door maar ik hem ook. We weten dat we elkaar voor geen haar kunnen vertrouwen. En dat doen we dus ook niet. Maar toch, op één of andere manier, komen we steeds weer bij elkaar terecht. Om ons verhaal te doen. Om te lachen. Om niets te doen. Om in elkaars ogen te kijken. Om thuis te komen.

 

h1

Over mijn fiets.

18 mei 2008

Mijn fiets begint zowaar een BF* te worden. Straks moet ik hem nog handtekeningen gaan laten uitdelen. Hopen dat ie geen scrupules begint te krijgen. Eerst kreeg hij een ganse blogpost alhier - om hem te introduceren – en een tweetal weken geleden dook hij plots hier op.

En dan deze week kreeg hij weer zijn portie aandacht:

Vrijdagochtend moest ik in Brussel zijn. Gezwind fiets ik naar het station om aldaar nog gezwinder bijna iemand aan te rijden als ik naar de oude fietsenparking naast het station wil fietsen om mijn fiets aldaar te stallen. Het individu hield mij tegen, zwaaide met zijn armen en liet me weten dat ik mijn fiets voortaan in de nieuwe fietsenstalling aan de andere kant van het station kon plaatsen. Eigenlijk had ik geen zin om het plein weer over te fietsen en die andere fietsenstalling te beginnen zoeken – “ja maar, je vindt hem gemakkelijk hoor, het wijst zichzelf de weg”; maar dat kennen we bij mij: hoe gemakkelijker iets te vinden is voor anderen, hoe meer ik verloren loop en hoe gênanter het voor mij wordt – en ik was eigenlijk al te laat waardoor ik al helemààl geen zin had om mij in avonturen te storten als nieuwe fietsenstallingen opzoeken en mijn geliefde fiets ergens achter te laten waar hij nog nooit gestaan heeft.

Nu ja, braaf als ik ben volg ik natuurlijk mans instructies, zoek ik de fietsenstalling op – die gemakkelijk te vinden was, het wees zichzelf uit – en plaats mijn fiets als één van de eersten in de gloednieuwe fietsenrekken. Jammer dat ik mijn fototoestel niet bijhad, want het had wel iets, die rijen en rijen gloednieuwe, blinkende en lége fietsenrekken.

Toen ik terugkwam van Brussel ging ik mijn fiets halen en gezwind – ik deed die dag alles gezwind – liep ik de fietsenstallingen binnen en kwam ik pardoes op een openingsreceptie terecht. Ik nam mijn fiets uit het rek en wou vertrekken toen een fotograaf met een joekel van een fototoestel op mij af kwam gerend en vroeg of hij een foto mocht trekken ‘want ik nam als één van de eerste de nieuwe fietsenstallingen in gebruik’. Tuurlijk mocht dat en gewillig poseerde ik met mijn fiets voor de foto. Je ziet het natuurlijk ook niet alle dagen in Leuven, iemand die zijn fiets uit een fietsenrek neemt en vertrekt.

 

* Bekende Fiets

h1

Girl Geek Dinner – wat vooraf ging.

15 mei 2008

Samen met een andere blogster zat ik op de trein, op weg naar de Brussels Girl Geek Dinner, in, jawel, Brussel. We babbelen en leuteren er op los. We zijn nog maar goed en wel vertrokken als er een stem doorheen de coupé klinkt. ‘Wegens een brand in Brussel-Noord zal deze trein stoppen in Schaarbeek en vervolgens verder rijden naar Knokke. Reizigers met als bestemming Brussel-Noord, Brussel-Centraal en Brussel-Zuid zullen verder kunnen reizen vanuit Schaarbeek.  Tegenslag, maar ach ja, er zijn ergere dingen in het leven. En je babbelt verder. Luid, zo blijkt, als in Schaarbeek een man op ons af stapt met de woorden ’Ik hoorde jullie er net over praten op de trein, moeten jullie ook naar de Brussels Girl Geek Dinner?’

‘Ja’, zeg ik.

En daar had ik moeten zwijgen, maar uiteraard probeerde ik weer grappig te zijn. Probeerde.

‘Maar ik ga voor het Girl gedeelte. Ik ben geen Geek. Ik ga voor het eten, niet voor die presentaties. Saaie bedoening. Oh ja, ik ben Lime, wat is uw naam juist en wat is jouw blog?’

‘Ik ben Koen en ik ben één van de sprekers.’

En toen wist ik even niet meer wat zeggen.

h1

Een verlengd weekend.

12 mei 2008

Ik heb ondersteboven gehangen. Ik heb wijn gedronken, witte martini’s en cocktails in de zon. Ik heb Pardoes gezien. En Pardijn. Ik ben kletsnat geworden. Ik heb gelachen, gehuild. Ik heb kippenvel gehad. Ik heb met een grote bende meiden die ik voordien nog nooit gezien had heerlijk gedineerd aan één grote tafel. ik heb van een zonsondergang genoten in Antwerpen. Ik heb vuurwerk gezien in Leuven. Ik heb in drie verschillende bedden geslapen. Ik heb geknuffeld. Ik heb me gevleid in de zon. Ik heb gedanst tot een gat in de nacht. Ik ben van terras naar terras verhuisd, de zon volgend tot we niet meer konden. Ik heb tussen de madeliefjes in het gras in een parkje gelegen. Ik heb gefietst, gelopen en gewandeld. Ik heb gepicknicked in de zon. Ik heb me verwonderd, ik heb genoten, ik heb mijn ogen de kost gegeven. Ik heb gefloten, gezongen en gebabbeld. Ik heb mensen aan doeken in bomen zien hangen, ik heb mensen vuur zien spuwen, ik heb een wereldkampioen aan het werk gezien.

Ik ben gelukkig geweest.

h1

Over zalfjes, zalfjes, zalfjes. En zalfjes.

12 mei 2008

Een zalf voor mijn gezicht ’s ochtends. Een zalf voor mijn gezicht ’s avonds. Een zalf voor mijn handen ’s ochtends en ’s avonds. Een crème voor mijn handen overdag. Speciale zeep voor mijn handen. Een zalf voor onder mijn ene oksel, en een andere voor onder mijn andere oksel. Antibioticum voor mijn gezicht. Ik lijk wel een wandelende vertegenwoordigster voor allerlei zalfjes. Maar! Het helpt. Ik ben weer aantoonbaar. Of toch alleszins aantoonbaarder dan de afgelopen week.

 

h1

Over rode vlekken en bergbeklimmen.

7 mei 2008

Ge schrijft niet over vieze dingen. Mensen willen dat niet weten, willen dat niet lezen. Alles wordt verondersteld schoon te zijn en in orde en blinkend en nieuw. Maar ik ben niet schoon en in orde en blinkend en nieuw. Ik ben 23 en der zitten al wat schrammekes aan mij. En deze keer ben ik niet over mijn hart bezig maar over den buitenkant.

Ik heb u al verteld over mijn vingers. Die nog steeds niet in orde zijn. Schraal, is het woord dat tegenwoordig te pas en te onpas gebruikt wordt voor vanalles en nog wat, maar hier uiterst op zijn plaats is. Smeer ik er zalf aan, dan gaat het nog. Maar oh wee als ik die een dag vergeet. Diepe kloven en pijnlijke rode plekken! Pellekes en schilferkes alom! Jeuk! Iemand durfde het woord schurft al in de mond te nemen. Ziet u wel, u trekt uw neus op. Mensen lezen niet graag over vieze dingen.

En dat is nog niet het ergste! Plots bevonden er zich vijf uiterst pijnlijke en rare en grote en rode plekken onder mijn linkeroksel. Ik schilfer af!, dacht ik. Ik ben melaats! Waanbeelden van afgezette armen en vingers en rode plekken en afschilferende huid doorkruisten mijn gedachten. Maar een geluk, een antibacteriële zalf en een antibioticumkuur later was ik van deze plekken verlost. Leest u nog mee? Of hebt u afgehaakt vanwege de vieze woorden?

Maar! Dat was nog steeds niet het ergste! Vorige week, van de nacht van woensdag op donderdag: plop.

plop.

Plop.

PLOP. PLOP!

PLOPPLOPPLOP!

Als paddestoelen schoten ze uit de grond mijn gezicht. Geloof het of niet. Puistjes. Nu ja. Dat klinkt te schattig. PUISTEN. Pustn in’t Westvlaams. Puuuiiijst in’t Limburgs. Lelijk op mijn gezicht. Ik schaam me dood. En niet ééntje hè. Of twee. Of drie. Of vier – ik kan zo nog wel even doorgaan – maar vijftien telde ik er vandaag. Vijf-tien. Ik verdenk iedereen die nog maar in mijn richting ervan ‘Puist!!’ ‘Puist!!’ te denken. Het kan ook niet anders. Mijn gezicht gaat verscholen achter een berglandschap. Vijftien Annapurna’s naast elkaar. Iemand geïnteresseerd in bergbeklimmen? Tot donderdag kan je nog. Dan gaat een dermatoloog me uit mijn lijden verlossen.