Archief voor december 2008

h1

Kerst

24 december 2008

Precies twee jaar geleden zat ik buiten op een terrasje in de zon. Ik vierde voor het eerst Kerst zonder mijn familie rond mij. Maar eigenlijk was dat niet zo erg. De zon, het strand, de palmbomen, de muziek, de vakantie, de Caesar’s salade met extra veel kaas die voor me stond maakte alles goed.

Ik vierde Kerst in Florida, samen met twee vriendinnen. Eentje woonde met mij in de Sunshine State, de andere was ons komen opzoeken. We waren tijdens onze kerstvakantie naar het uiterste zuiden van Florida gereden om daar kerst al snorkelend en genietend van de zon te spenderen. Nieuwjaarsavond brachten we door op Times Square, New York, waar we voor de gelegenheid heen vlogen. De ene avond stonden we nog op Ocean’s Drive in Miami Beach, de volgende dag stonden we op Times Square in New York. Ik voelde me de konink te rijk. Ik voelde me stralen, schitteren. Ik dacht dat ik nooit nog zo gelukkig zou kunnen zijn als ik was op die dag.

En toch.

Deze kerst is de eerste kerst die ik samen met iemand zal vieren. Dit jaar zal ik afsluiten in iemands armen en het nieuwe jaar begin ik ook in de zijne. Ik zal in zijn ogen kijken en hem zeggen van gelukkig nieuwjaar en ik zie u graag en ik blijf voor altijd bij u en ik zal het nog menen ook.

Het is zalig, mensen, beminnen en bemind worden. Verliefden en verliefd worden. Of zoiets.

Als afsluiter krijgt u deze keer het toppunt van eerlijkheid: mijn lief die niet kan liegen tegen mij. Hij kan zelfs niets verzwijgen voor mij. Meer nog, hij is zò eerlijk dat hij de gedachte niet kan verdragen dat ik niet weet wat er in zijn kerstpakje voor mij zit en hij het mij verklapt heeft. Waarna hij heel erg beteuterd keek omdat hij nog zò zijn best had gedaan het niét te verklappen.

(Ik krijg vanavond een senseo.)

h1

Oma

10 december 2008

“Is dat je lief?”, vraagt oma.
“Wat is zijn naam?”
“Oh. Mooie naam.”
“Mooie naam voor een mooie jongen hè oma”, knipoog ik.

Mijn oma woonde altijd op 2 huizen naast het onze. Ze kwam zeker 2 keer per dag langs. Een keer om soep te brengen en een keer om te vertellen wat er in ‘thuis’ gebeurd was. De soep bracht ze meestal ’s middags, als er niemand thuis was. Dan kleefde ze een wit stickertje op de klink van de voordeur en zette de soep in de garage. Zagen we ’s avonds een wit stickertje hangen, wisten we dat ze soep had gebracht. Op de soeppot zelf hing eenzelfde wit stickertje, maar dan had ze er iets op geschreven. “Nog korstjes bakken”, was een favoriet. We hielden ze allemaal bij en plakten ze netjes in een klein boekje.

“Is dat je lief?”, vraagt oma nogmaals.
“Wat is zijn naam?”
“Oh. Mooie naam.”
“Mooie naam voor een mooie jongen hè oma”, knipoog ik nogmaals.

Als we ’s avonds in onze zetel tv zaten te kijken en we hoorden snelle – mijn oma liep altijd – voetstappen, dan wisten we dat oma eraan kwam. Dan kwam ze ons vertellen wat er in ‘thuis’ gebeurd was die dag. We waren altijd geambeteerd. Wij keken er zelf niet naar, dus wisten wij veel wie Jenny, Frank, Simonneke of Rosa was. We keken koppig verder naar tv en antwoorden om de beurt met ‘mmm ‘ en ‘uhu’. Maar mijn oma had niet zo veel andere mensen om mee te babbelen. En bij ons vond ze vaak ook niemand, achteraf gezien. Eigenlijk was dat niet zo lief van ons.

“Is dat je lief?”, vraagt oma een derde keer.
“Wat is zijn naam?”
“Oh. Mooie naam.”
“Ik weet het. Mooie naam voor een mooie jongen hè oma”, antwoord ik.

Mijn oma kan helemaal geen soep meer brengen nu. Ze is een tijdje geleden gevallen waardoor lopen moeizaam gaat. Als ze op een stoel of in een zetel zit moet ze vastgebonden worden, zodat ze niet uit zichzelf kan opstaan. Om te voorkomen dat ze nog eens zou vallen. ‘Thuis’ kan ze ook niet meer volgen. Ze begrijpt het allemaal niet meer zo goed. Ze mist het ook helemaal niet. Ze weet niet meer dat ze het mist.

Na haar val is ze ook nooit meer naast ons komen wonen. In de kliniek werd het duidelijk. Dat ze ons niet twee, drie keer vroeg waarom ze daar lag omdat ze niets anders meer wist te vragen, maar omdat ze niet meer wist dat ze het al eens had gevraagd.

Mijn oma is dementerende.

“Is dat je lief?”, vraagt oma een laatste keer.
“Wat is zijn naam?”
“Oh. Mooie naam.”
“Ik weet het. Mooie naam voor een mooie jongen hè oma”, antwoord ik vermoeid.

Ik sta op, verlaat de Bijster en vertrek terug naar huis.

h1

Schijtluis

8 december 2008

Ik zei het eerder al eens. Ik ben een schijtluis. Wil ik verandering, krijg ik verandering, durf ik niet. En laat ik alles bij het oude.

Ik kreeg een jobaanbieding.

Maar de sprong in het duister is te groot en het duister is te donker. Dus blijf ik bij het oude.

Mijn hoofd loopt over. Over van twijfel, angst, piekeriteiten, gedachten in het algemeen. Ik weet niet wat ik wil. Ik weet niet wat ik nu wil, wat ik straks wil, wat ik morgen wil of later. Ik weet niet of ik dat ooit wel ga weten. Is dit volwassen zijn? Laat mij dan maar weer kind zijn wiens grootste zorgen zijn hoe hij ongemerkt een koek uit de snoepdoos kan halen en hoe hij bij die bovenste plank kan geraken.

Niet enkel mijn lijf staat nooit stil (Leuven – Antwerpen – Gent – Brussel – Leuven) maar mijn gedachten lijken ook geen rust te vinden. Net zoals ikzelf meer onderweg ben dan rustig in de zetel zit, vliegen mijn gedachten heen en weer zonder ooit neer te gaan liggen. Ik vind mezelf moeilijk. Ik vraag het mijn lief meermaals, of ik niet te moeilijk ben. Of hij het niet vervelend vindt, dat niemand mijn gedachtenkronkels kan volgen, laat staan ikzelf. Of hij het niet vervelend vindt, die onrust in mijn hoofd. Maar dan neemt hij me stevig vast en zegt helemaal niks. Misschien is het maar beter zo.

Zwijgen en laten.

‘Let it be’ werd niet voor niets een wereldhit.

h1

Over roze olifanten

3 december 2008

Maandagavond. Donker, regenachtig. Ik fiets naar de avondschool, niet al te snel – het ging bergop – en met mijn hoofd vol gedachten. Ik was aan het denken aan mijn bed (ik was moe), aan mijn lief (ik miste hem) en aan champignonnen die pruttelen in room- en tomatensaus (ik had honger). De gewone dingen des levens dus.

Plots hoorde ik een luid geschuifel achter mij. Ik zie een jongen zwalpend op de fiets veel te snel langs mij passeren, met zijn voeten over de grond schuivend, in een wanhopige poging zijn fiets tot stilstand te brengen. Zijn stuur vliegt met een razende snelheid tegen de lantaarnpaal, en de jongen vliegt als in een slechte comedy voorover, hoofd eerst, recht de gracht in.

En dit allemaal in een halve milliseconde.

In de volgende halve milliseconde komt hij vliegensvlug recht, steekt zijn krullenkop de lucht in en kijkt me met een rode kop aan. Ik staar met open mond naar de jongen, kijk naar de takjes in zijn haar en vraag of het gaat. Hij stottert snel ‘jaja’ en kruipt de gracht uit. Ik kan me wel inbeelden hoe de jongen zich voelt: snel fietsend een meisje willen voorbijsteken en een seconde later in de gracht liggen. Je zou voor minder een rode kop krijgen.

Eigenlijk wou ik hem gewoon uit die gracht helpen, de bladeren van zijn jas kloppen, zijn stuur recht zetten en de takjes uit zijn krullen verwijderen. Maar ik wou het hem niet nog pijnlijker maken dan het al was en heb hem en zijn fiets alle privacy gegeven en ben verder gefietst. Hem trillend op zijn benen achterlatend, ik met open mond en grote ogen verder fietsend.

Dinsdagavond, in een klein stationnetje niet ver van Leuven. Donker, regenachtig. Ik sta te wachten op de stoep tot iemand me komt ophalen, ze kan elk moment arriveren. Naast mij staat een man een sigaret te roken. Ook hij lijkt te wachten op iemand.
Plots haalt hij zijn – uhm sja – gerief naar boven en begint te plassen. Ik kan mijn ogen niet geloven. Snel kijk ik nog eens om – heb ik dat wel goed gezien? – maar ja hoor: zijn water klaterde luid en duidelijk. Op een halve meter van mij. Midden op straat. Mijn gedachten gingen razend tekeer. Wat doe je in zo’n geval? Moest ik hem negeren en doen alsof ik niets zag noch hoorde of moest ik hem aanmoedigen (verder! ja!! nog verder!)? Geen van de twee leek mij de juiste oplossing aangezien ik nog nooit een man heb aangemoedigd bij het plassen en als er iemand op een halve meter van je zijn water lost kan je onmogelijk doen alsof er niets aan de hand is laat staan een praatje over koetjes en kalfjes beginnen.
Dus liep ik toevallig de andere kant op, het hoekje om. Daar stond ik dan verder te wachten met grote ogen en hopend dat de man me niet al waterend zou volgen.

Als er nu een grote roze olifant uit de lucht valt, op een meter van mij neerkomt om vervolgens de Brabançonne te beginnen zingen, ik zou er niet eens meer van opkijken.