Van dit bericht ga ik ooit nog spijt krijgen. Ik voel het nu al.
Ik kan o zo gemeen zijn. Soms maar hoor, en meestal in stilte, in mijn hoofd. Maar toch. O zo gemeen.
Soms denk ik, als ik iemand passeer op straat die ik niet ken, ‘Ha, ik ben toch mooier dan die.’ Om me eerst triomfantelijk te voelen maar luttele seconden later enorm schuldig omdat ik het nog maar dàcht. Hetzelfde voor die keren dat ik een meisje passeer waarbij de gedachte in mij opkomt ‘mijn achterwerk is dunner!’. Maar dat denk ik enkel bij meisjes die ik niet ken – eerlijk waar – bij diegenen die ik wel ken kijk ik naar hun gezicht en niet naar hun achterwerk. (Wat dan weer niet betekent dat ik alle achterwerken van alle meisjes die ik niet ken uitvoerig bekijk.)
Een keer vroeg in het station een sympathieke zwarte dame aan mij hoe ze nu wist welke trein ze moest nemen met het ticket dat ze zonet gekocht had. Ik legde haar vriendelijk uit dat dat niet uitmaakte – met een ticket Leuven-Brussel mag je op alle treinen die Brussel passeren. Ik bracht haar naar het juiste perron. Twee keer zelfs, omdat ze de eerste trein miste.
Maar ik kon het niet helpen en ik vroeg me af hoe zij zou gereageerd hebben moest ìk geantwoord hebben “I’m sorry, I don’t help black people” op haar vraag “Can I ask you something?”. Zo’n dingen zeg ik uiteraard nooit, en ik ben absolùùt geen racist, verre van, maar toch, ik vroeg me dat wel af. En vond dat stiekem zelfs wel grappig ook.
Als ik oude mensjes met wandelstokken passeer beeld ik me in hoe ik die onder hen uit schop. Als ik een baby vastheb hoe de ouders reageren moest ik doen alsof ik hem zou laten vallen.
Maar da’s allemaal maar in mijn hoofd hoor, dat ik dat denk. Dus gullie weet van niks.