En dan nu het gedeelte dat aan mezelf ligt.
Elk jaar opnieuw wordt het juli. En dan zijn ze daar, de studenten die met hordes terug buiten komen. Gepakt en gezakt, op weg naar huis, op weg naar vakantie. Op weg naar vrijheid. Als ge in Leuven werkt en woont komt ge daar niet onderuit. Ge proeft de vakantie op uw tong. Dat hangt in de lucht. Alles ademt vrije tijd uit.
En dat is pijnlijk. Elke keer moet ge u er aan doen herinneren dat gij dat niet hebt, die vakantie. Niet die lange, heerlijke vakantie waarin je ook niéts mag doen.
Dàt is het moeilijke van de werkende mens. Ik ben daar zeker van dat ge dat wel gewoon wordt, maar ik mis dat nog altijd: niéts, absoluut niets doen in uw verlofdagen. Want hoe ge dat ook draait of keert, als werkende mens neemt ge vakantie om iéts te doen. Altijd. Anders is dat verloren tijd. Ge gaat weg, op reis, of ge werkt in uw kersverse huis, of ge gaat op citytrip, of ge gaat naar de zee. Maar thuis onbeschaamd uitslapen tot 11.30 om u daarna gewoon te verhuizen naar de zetel, nee, dat doet ge niet.
En dat besef, dat ik nooit meer thuis bij de mama en papa zal zitten, met al die vrije tijd rond mij, dat stemt mij een beetje droevig. ’s Ochtends op het gemak ontbijten, wat in de zetel hangen, wachten tot uw ouders thuiskomen om een boterham te eten. ’s Middags wat rondlummelen en bedenken wat je nog allemaal kan doen die dag. Uren voor de computer hangen of buiten in het zonneke liggen. Films kijken wanneer ge daar zin in hebt. ’s Avonds lang opblijven en doen wat ge wilt, omdat ge weet dat ge ’s anderendaags toch niet vroeg moet opstaan; of de dag daarna, en de dag daarna, en de dag daarna… Ik mis dat eigenlijk wel. En zeker als ik elk jaar opnieuw op dat gemis gewezen word als mijn broer en zus hun laatste examen gemaakt hebben en mij vrolijk fladderend komen wijzen op mijn gevangenschap. Gevangen in het leven van een werkmens.








