In het zweet was ik me aan het werken. Een kleine twintig minuten onderweg nog maar, maar de zon in mijn gezicht en op mijn lijf en het harde lopen deden me afzien. Toch deed het deugd. Het zweet op je rug voelen, op je voorhoofd. Je hartslag sneller voelen gaan. Je ademhaling mooi onder controle houden. Afzien. De avondzon maakte alles compleet.
PATS.
Voor ik het goed en wel besefte passeerde een fietser in een blauw truitje mij. Maar niet voordat hij mij eerst ongelofelijk hard en brutaal op mijn achterwerk gemept had. Erg snel fietste hij niet, waardoor ik in een reflex en zonder nadenken zijn blauwe truitje vastgreep. Blijkbaar had hij dit niet verwacht, want hij wankelde meteen en zette één been op de grond. Hij draaide zich naar mij en voor hij nog maar tijd had om zijn mond open te doen mepte ik hem met de vlakke hand in zijn gezicht. Ik heb nog nooit een man in zijn gezicht geslagen.
Maar ik vond dat ik gelijk had, en riep kwaad vanalles en nog wat. ‘Godverdomme!’ zal er tussen gezeten hebben, en ‘Een béétje respect, alsjeblieft?!’. Hij wist dat hij verkeerd was, en werd knalrood. Ik gunde hem geen blik meer waardig en zonder nog om te kijken liep ik verder. Ik denk dat hij rechtsomkeer gemaakt heeft, want ik heb hem niet meer gezien, en hij heeft mij niet meer voorbij gestoken.
Was het maar waar.
PATS.
Voor ik het goed en wel besefte passeerde een fietser in een blauw truitje mij. Maar niet voordat hij mij eerst ongelofelijk hard en brutaal op mijn achterwerk gemept had. Ik was zodanig verbouwereerd dat ik niet eens gereageerd heb. Geen kik heb ik gegeven, ik trachtte hem niet tegen te houden, ik heb hem zelfs niets nageroepen. Ik ben niet eens gestopt met lopen. Hij fietste mij voorbij – niet eens zo snel – en gunde mij geen blik waardig.
Ongelofelijk boos was ik. Dit getuigt van een minimum aan respect, me dunkt. Ik grijp wildvreemde mannen toch ook niet bij hun ballen?
Maar: een schijtluis, een watje, een mietje. Dat ben ik.
Ik heb nog steeds nog nooit een man in zijn gezicht geslagen.


