Archief voor juli 2009

h1

Ik had nog nooit een man in zijn gezicht geslagen.

31 juli 2009

In het zweet was ik me aan het werken. Een kleine twintig minuten onderweg nog maar, maar de zon in mijn gezicht en op mijn lijf en het harde lopen deden me afzien. Toch deed het deugd. Het zweet op je rug voelen, op je voorhoofd. Je hartslag sneller voelen gaan. Je ademhaling mooi onder controle houden. Afzien. De avondzon maakte alles compleet.

PATS.

Voor ik het goed en wel besefte passeerde een fietser in een blauw truitje mij. Maar niet voordat hij mij eerst ongelofelijk hard en brutaal op mijn achterwerk gemept had. Erg snel fietste hij niet, waardoor ik in een reflex en zonder nadenken zijn blauwe truitje vastgreep. Blijkbaar had hij dit niet verwacht, want hij wankelde meteen en zette één been op de grond. Hij draaide zich naar mij en voor hij nog maar tijd had om zijn mond open te doen mepte ik hem met de vlakke hand in zijn gezicht. Ik heb nog nooit een man in zijn gezicht geslagen.

Maar ik vond dat ik gelijk had, en riep kwaad vanalles en nog wat. ‘Godverdomme!’ zal er tussen gezeten hebben, en ‘Een béétje respect, alsjeblieft?!’. Hij wist dat hij verkeerd was, en werd knalrood. Ik gunde hem geen blik meer waardig en zonder nog om te kijken liep ik verder. Ik denk dat hij rechtsomkeer gemaakt heeft, want ik heb hem niet meer gezien, en hij heeft mij niet meer voorbij gestoken.

Was het maar waar.

PATS.

Voor ik het goed en wel besefte passeerde een fietser in een blauw truitje mij. Maar niet voordat hij mij eerst ongelofelijk hard en brutaal op mijn achterwerk gemept had. Ik was zodanig  verbouwereerd dat ik niet eens gereageerd heb. Geen kik heb ik gegeven, ik trachtte hem niet tegen te houden, ik heb hem zelfs niets nageroepen. Ik ben niet eens gestopt met lopen. Hij fietste mij voorbij – niet eens zo snel – en gunde mij geen blik waardig.

Ongelofelijk boos was ik. Dit getuigt van een minimum aan respect, me dunkt. Ik grijp wildvreemde mannen toch ook niet bij hun ballen?

Maar: een schijtluis, een watje, een mietje. Dat ben ik.

Ik heb nog steeds nog nooit een man in zijn gezicht geslagen.

h1

Helaba!

28 juli 2009

Helaba! Wat is me dat nu, denk ik dan. Via Kathleen vond ik deze blog. Een sympathieke dame die de ‘Mighty Life List ‘ heeft opgesteld. Het komt erop neer dat ze honderd dingen heeft neergepend, die ze nog wil doen voor ze gaat. ‘10 things to do before I go’ heet het gevalletje. Klinkt bekend? Ja hoor.

Ok, het staat er in het klein. Maar het staat er. En al lang. En ok, ook toegeven, ik ben niet de eerste die zo’n lijst heeft opgesteld. En ik zal de laatste ook niet zijn. 

Maar! Deze dame heeft zowaar een sponsor gevonden. Ze betaalden onder andere haar trip naar Puerto Rico.

Helaba! Wat is me dat nu, denk ik dan, nogmaals. Een sponsor? Als in, iemand die al die leuke dingen betaalt in jouw plaats?

Mijn trip naar Alaska (nr 71) en naar Cuba (nr 77) heeft niemand betaald voor mij. Dankzij die trip naar Alaska is zelfs (98) en (100) vervuld. Ik drink champagne zonder reden (93), ik ga in ijskoude baden zitten (33), ik zing de longen uit mijn lijf zonder mij van iemand iets aan te trekken (62). Ik wandel midden in de nacht op stranden om zeeschildpadden te zien (3), ik drink sloten Starbucks koffie (12), ik sta uren te verkleumen op Times Square om de bol te zien zakken op oudjaar (21). Zeg nog eens dat ik niet aan die lijst werk! Ik vraag jongens uit die ik van haar noch pluim ken (16), ik gooi met eten (28), ik koop harde schijven (37) en rangschik al mijn CD’s in alfabetische volgorde (38). Maar niemand die voor iets betaalt. Zelfs geen zielige blender (nr 89).

Dus, komaan, sponsors. Ik wil ook! Mijn volgende trip staat ook op de lijst, het ideale moment dus om vliegtuigticketten te sponsoren. De Himalaya. Iemand?

h1

Maar we werken om te leven.

23 juli 2009

Ik leef nog! En hoe. De tijd vliegt voorbij. En toch ook weer niet. De dagen duren lang, maar wanneer je op de kalender ‘23 juli 2009′ ziet staan besef je dat de zomer al bijna halfweg is. 

Mijn dagen worden gevuld met Elisa’s, restimulaties van cellijnen, C57Bl6 muizen verzorgen en opvolgen, nieuwe experimenten plannen, APC’s, CD4+ T cellen en andere opzuiveringen. Proliferatietesten van KD6 400 MBP monoclonale en polyclonale cellijnen. Jawaddedadde.

Maar we werken om te leven, zodus vullen we die oh zo kostbare vrije tijd in met naar zee gaan, BBQ’en, wandelen, in fancy restaurants gaan eten, tranen met tuiten lachen omdat er knettersnoep in het dessert zit waardoor het knettert langs alle kanten in onze mond. We zitten veel in de auto, onderweg naar overal en nergens. Leuven, zijn thuis, mijn thuis, de zee. We dromen stiekem van een eigen plekje en zweren dat we beiden onze tassen (ik een blauwe van hedgren, hij een bruine leren) gaan verbranden van zodra we een eigen echte thuis hebben en we niet meer uit zo’n gdvrdms weekendtas moeten leven (merk mijn frustratie op). Al zal het toch nog een tijdje duren eer het zover is. Maar zolang meer dan de helft van mijn dagen eindigen in zijn armen, ben ik al een zeer gelukkige mens.

h1

Eén jaar.

14 juli 2009

Graag zien en graag gezien worden is zo gemakkelijk. Als het maar met de juiste persoon is.

h1

“Stom idee, lief.”

13 juli 2009

“Shit, dit is saai.” 

Ik had mijn lief op sleeptouw genomen. We zouden 57 km gaan wandelen, als voorbereiding op de 100 km van Bornem. Onze eigen kleine dodentocht.

Vol goede moed begonnen we eraan.

Maar 57 km vol maïsvelden, regenbuien, heide, blaren, stramme spieren, pijnlijke voeten en asfaltwegen is _saai_.

Urenlang liepen we naasteen, soms in discussie, soms in stilte. Soms somden we onze ongemakken op. Tot uiteindelijk alles pijn deed en we al vloekend en zuchtend en steunend en waggelend als eenden de laatste kilometers aflegden.

“Stom idee, lief.” zei hij.

En gelijk had hij.

Maar toch, maar toch. Nr 90. Zou ik het kunnen?

h1

Ik durf niet.

6 juli 2009

Het gaat me niet af de laatste tijd.

U zal het wel gevoeld hebben, in die laatste blogposts. Dat iets me dwarszit. Dat er iets schort, maar dat ik zelf niet weet wat precies. Of misschien toch wel.

Pas op, ik leg mijn hart bloot. 

In het lager onderwijs ging alles als vanzelf. Spelen was het, en goed mijn best doen. En bij de besten horen. In het middelbaar was het van hetzelfde. Ik werkte hard – veel te hard, veel harder dan nodig was, achteraf bekeken – maar weer hoorde ik bij de beteren. Ik was nooit de beste van de klas, dat hoefde ook niet, maar ik was één van de leerlingen waar geen omkijken naar was. Ik kwam er wel, vanzelf.

Eerste kandidatuur. In eerste zit geslaagd. Niet met schitterende punten, maar ik hoorde wel bij de betere helft, aangezien ongeveer de helft van mijn collega’s niet geslaagd was – tweede zit, bissen, of stoppen. Gedurende de laatste jaren van mijn studies hoorde ik echter al lang niet meer bij de eersten van mijn jaar. Doordat diegenen die het niet aankonden afgehaakt hadden kwam ikzelf onderaan de ladder te staan. Ik moest het toegeven: bij sommigen gaat het gemakkelijker, sommigen werken harder, sommigen zijn tout court slimmer dan mij. Dat kan. Tuurlijk kan dat. Maar het doet je toch even slikken.

En dan nu, doctoreren. Ik word dagelijks omringd door bollebozen. Professoren, post-docs, wetenschappers, geneesheren. Mensen die ongelofelijk veel weten. Mensen die enorm goed zijn in hun vak. Mensen die wijsheid uitstràlen. Mensen naar wie ik opkijk.

En in plaats van me aan die bron van kennis te laven, klap ik dicht. Ik kan enkel met grote ogen kijken en in paniek denken ‘dat kan ik niet!’. Ik klap volledig dicht – zowel mentaal als fysiek.  Het werk gaat niet vooruit, ik ben bang om fouten te maken. Ik ben bang om hun hulp te vragen. Ik ben bang om toe te geven dat ik het niét kan. Dat ik niét alles weet. Ik durf geen initiatief nemen om een weg te banen naar mijn eigen doel: dat doctoraat. Ik ben bang voor de struikelblokken van onwetendheid die je vanzelfsprekend tegenkomt. Ik ben bang om met mijn gezicht tegen de muur te lopen.

Ik durf niet.

h1

De vliegeraar

2 juli 2009

Ik ben 24 en ik had nog nooit gevliegerd. Nog. Nooit. Gevliegerd?! Zie ik u denken. Ja, ik weet het, maar lees vooral de ‘had’, wat dus impliceert dat ik het ondertussen wel gedaan heb en u het niet meer tegen mij kan gebruiken (niet dat er iemand wist dat ik nog nooit gevliegerd had, iederéén heeft immers al gevliegerd op zijn 24ste, maar ik dus niet – en nu weet u het).

Beetje laat om mee te beginnen, ik weet het, maar toch. Een mens moet toch ooit in zijn leven gevliegerd hebben?

Mijn lief en ik trokken dus naar het strand met een vlieger. Niet eens zomaar een vlieger, maar een mooie handgemaakte vlieger die zijn ouders als souvenir mee uit Bali hadden genomen. Ze wisten niet dat we gingen vliegeren (wat misschien maar beter zo was). De vlieger zag er zo handgemaakt uit dat we beiden vermoedden dat hij toch nooit de lucht in zou gaan. Maar voor alle zekerheid liepen we alle andere vliegeraars op het strand, met hun mooie, kleurrijke, grote, lichte maar fabriekgemaakte plastieken vliegers voorbij. Tot niemand ons nog zag. Ze moesten ons maar eens kunnen zien, twee 24-jarigen, met een touwtje in hun handen en een vlieger een tiental meter verder koppig in het zand.

Hij hield het touw vast en wikkelde het zorgvuldig enkele meters af. Ik hield de vlieger vast. ‘Klaar?’, vroeg ik. ‘Klaar!’ riep hij. Ik duwde de vlieger met zijn neus de lucht in, en liet hem los. En. Hij vloog! Hij vloog. We wikkelden het touw verder af tot het niet meer verder kon. Enkele duikelingen door de lucht en enkele crashes in het zand, maar hij kon vliegen! En als we er niet te wild mee deden bleef hij omhoog. Daar stond ik dan, met een touw in mijn handen. Fier als een gieter, met een mooie vlieger in mijn handen. Een handgeschilderde, grote blauwe vlieger.

Een uurtje later keerden we terug. En getuigde enkel het zand op de kop van de grote blauwe vlindervlieger tegen de muur nog van ons grote avontuur.