Archief voor de ‘bekommernissen’ Categorie

h1

Over identiteitscrisissen in beperkte mate (2)

18 oktober 2009
kurt says: (11:46:56)
pompidom
toot says: (11:47:03)
pumpumpompom
toot says: (11:47:08)
ik heb een identiteitscrisis
kurt says: (11:47:14)
ok
kurt says: (11:47:16)
gij bent kato
kurt says: (11:47:18)
en ik ben kurt
kurt says: (11:47:22)
let’s start from there
kurt says: (11:47:24)
you are hot
kurt says: (11:47:27)
I am not
toot says: (11:47:32)
awel
toot says: (11:47:35)
ik heb problemen met dat eerste
kurt says: (11:48:33)
ge bent niet zeker of ge kato bent?
kurt says: (11:48:39)
of ge weet niet wat dat wil zeggen?
toot says: (11:48:51)
nee, de ‘you are hot’
toot says: (11:48:58)
ik vind mezef echt niet mooi
toot says: (11:49:05)
en ik doe er vanalles aan
toot says: (11:49:26)
ik ga naar de zonnebank, ben zelfs naar een schoonheidsspecialiste geweest om witte puntjes weg te nemen (too much information, I know), ik ga naar de kapper
toot says: (11:49:29)
maar’t helpt nit
toot says: (11:49:36)
ik pas andere kleren maar vind dat niks voor mij
toot says: (11:49:52)
die bruine korte rokjes die nu in de mode zijn, met panty’s en een botje
toot says: (11:49:57)
ik wou dat ik eleganter en chiquer was :(
kurt says: (11:50:18)
:-O
kurt says: (11:50:22)
wat vreemd dat gij dat zegt
toot says: (11:50:29)
hoezo?
kurt says: (11:50:31)
ik heb u nooit al anders dan aantrekkelijk geweten :D
kurt says: (11:50:39)
dat is toch altijd hetzelfde he
toot says: (11:50:49)
ik ben echt echt “>serieus hoor, zit er echt mee in
kurt says: (11:50:49)
de vrouwen die zich zorgen zouden moeten maken over hun uiterlijk, die doen dat niet
kurt says: (11:51:02)
en zij die er goed uit zien, die twijfelen :)
kurt says: (11:51:30)
gij moogt daar mee inzitten
kurt says: (11:51:52)
maar als unbiased buitenstaander kan ik u zeggen dat dat objectief niet nodig is :)
toot says: (11:52:26)
maar gij zegt dat tegen iedere vrouw waarschijnlijk omdat jij nood hebt aan vrouwelijke aandacht nu en je daardoor misschien gewoon àlle vrouwen mooi vindt
toot says: (11:52:35)
ik vroeg aan dieter of hij niet liever een eleganter iemand wou hebben
toot says: (11:52:36)
en hij zei
toot says: (11:52:45)
‘maar dan kan ik daar niet mee boeren of scheten bij laten’
kurt says: (11:52:52)
:D
toot says: (11:53:00)
goed bedoeld, maar op één of andere manier hielp het mij wel niét hoor
kurt says: (11:53:20)
maar het is wel grappig
toot says: (11:53:21)
ik wil een elegant iemand zijn met korte rokjes en botjes en mooie benen en een handtas
toot says: (11:53:26)
maar eentje die ook kan boeren
kurt says: (11:53:28)
maar dan waart ge mss niet tof
kurt says: (11:53:34)
ge kunt niet alles hebben
toot says: (11:53:40)
maar het neigt te veel naar het tweede, vind ik zelf
kurt says: (11:53:42)
en korte rokjes en boeren en scheten laten, dat gaat niet samen
toot says: (11:53:50)
dat is het probleem hè
kurt says: (11:53:54)
want dan vliegt die rok omhoog
kurt says: (11:53:55)
en dan
toot says: (11:53:57)
:d
toot says: (11:53:58)
ok,
kurt says: (11:54:00)
bent ge plots niet meer elegant
toot says: (11:54:01)
die komt op facebook
kurt says: (11:54:09)
ok
kurt says: (11:54:17)
dan ga ik nu de schaamte ontvluchten
kurt says: (11:54:20)
naar de thai!
toot says: (11:54:25)
oooh
toot says: (11:54:26)
smakelijk!
toot says: (11:54:28)
en merci

‘En korte rokjes en boeren en scheten laten, dat gaat niet samen”, besluit hij.

Ik vroeg een vriend raad over de identiteitscrisis waarin ik mij bevond. Het was een identiteitscrisis in beperkte mate en ik weet dat er belangrijkere dingen zijn in deze wereld en dat er veel mensen honger hebben en dat mijn oma dementerende is en dat de wereld langzaam maar zeker opwarmt en dat dat allemaal erger is; maar heel even was dit het enige waar ik mij mee bezig hield.

Ik vertelde hem over het rokjesprobleem. En ik vertelde hem ook dat ik mijn liefje onlangs had gevraagd of hij niet liever een elegant iemand aan zijn zijde wou hebben. “Maar dan kan ik daar niet mee boeren of scheten mee laten”, was zijn antwoord. Goed bedoeld, dat zeker. Maar auch.

Dus het is ofwel jeansbroek, Tshirt, pint in de hand en boeren. Ofwel kort rokje, panty’s, botjes, bijpassende handtas en stil en mooi elegant wezen.

Maar ik, ik hang er maar ergens tussen.

h1

Over identiteitscrisissen in beperkte mate.

16 oktober 2009

“Nee, dat is niets voor jou.” zegt ze en ze draait zich om en loopt weg.

Ik kijk in de spiegel. Draai me om. En nog eens. En nog eens. Ik vind het wel leuk, maar het is niets voor mij. Zeggen ze toch. Een secretaresserokje, zoals ze nu zo mooi in de mode zijn. Een bruin-beige tot boven de knieën, met subtiele plooitjes in vanvoor.

Ik kijk naar mijn spiegelbeeld en zie mezelf door de straten wandelen. Met mijn bruin-beige rokje tot boven de knieën. Bruine panty’s, botjes eronder. Mooie korte maar dikke jas erboven. Zo eentje met een ceintuur errond in dezelfde stof.

Maar dat ben ik niet. Dat zeggen ze toch.

Dus ik kijk naar mijn spiegelbeeld en vertel haar dat ze er toch niet mee staat. Dat dat niets voor haar is, zo’n elegante kledij. Dat haar benen daar toch te dik voor zijn. Haar taille niet smal en haar haar niet lang genoeg. En dat ze te veel boeren laat om met zo’n rokje te staan. Dat dat toch niet bij haar past. Want dat zeggen ze.

En met een zucht duik ik terug het kledinghokje in.

h1

Over dzjoef.

3 oktober 2009

“Zou gij niet beter gewoon wat meer van dzjoef doen?” vroeg hij, en hij maaide zijn hand over zijn hoofd, alsof hij zijn haar wou kortwieken. “Wat meer van dzjoef doen?” vraag ik. “Ja, gewoon alles een beetje aan je voorbij laten gaan. Trek het u toch niet zo aan”, zegt hij.

Ik word er ellendig van, als de televisie niet blijkt te werken. Ik word er kribbig van, als mijn koffie kouder blijkt te zijn dan ik dacht. Wanneer blijkt dat ze in de fnac alle Harry Potter boeken met harde en zachte kaft hebben, behalve dat ene boek met de harde kaft dat ik zoek, dan denk ik dat er een fnac-complot tegen mij bestaat. Zegt een dame op de bus tegen de dame naast haar dat studenten schorem zijn, voel ik mij persoonlijk aangesproken. Ik word er zelfs zenuwachtig van als het waait.

En daar word je niet gelukkiger van.

En dan ben ik kribbig.  En als hij zegt dat hij dat helemaal niet erg vindt, dat ik kribbig ben, dan word ik nóg kribbiger omdàt ik kribbig ben. En omdat ik stoom aflaat bij die ene persoon van wie ik met zekerheid kan zeggen dat hij mij nooit kribbig zou kunnen maken en ik vind dus dat ik helemaal niet kribbig hoor te zijn bij die persoon. Of zoiets.

Ik herinner mezelf als een vrolijk persoon. Zelfs nu, als ik aan mezelf denk, beeld ik me iemand in met wie je leute hebt. Een vrolijk iemand bij wie je geen zorgen moet hebben, iemand bij wie je kan zijn, zonder al te veel vragen te stellen. Maar misschien stel ik er mezelf wel te veel? Misschien ben ik helemaal niet die vrolijke persoon wie ik denk te zijn. Of erger nog, misschien ben ik helemaal niet wie ik denk te zijn.

Misschien moet ik gewoon wat meer van dzjoef doen.

h1

Ik durf niet.

6 juli 2009

Het gaat me niet af de laatste tijd.

U zal het wel gevoeld hebben, in die laatste blogposts. Dat iets me dwarszit. Dat er iets schort, maar dat ik zelf niet weet wat precies. Of misschien toch wel.

Pas op, ik leg mijn hart bloot. 

In het lager onderwijs ging alles als vanzelf. Spelen was het, en goed mijn best doen. En bij de besten horen. In het middelbaar was het van hetzelfde. Ik werkte hard – veel te hard, veel harder dan nodig was, achteraf bekeken – maar weer hoorde ik bij de beteren. Ik was nooit de beste van de klas, dat hoefde ook niet, maar ik was één van de leerlingen waar geen omkijken naar was. Ik kwam er wel, vanzelf.

Eerste kandidatuur. In eerste zit geslaagd. Niet met schitterende punten, maar ik hoorde wel bij de betere helft, aangezien ongeveer de helft van mijn collega’s niet geslaagd was – tweede zit, bissen, of stoppen. Gedurende de laatste jaren van mijn studies hoorde ik echter al lang niet meer bij de eersten van mijn jaar. Doordat diegenen die het niet aankonden afgehaakt hadden kwam ikzelf onderaan de ladder te staan. Ik moest het toegeven: bij sommigen gaat het gemakkelijker, sommigen werken harder, sommigen zijn tout court slimmer dan mij. Dat kan. Tuurlijk kan dat. Maar het doet je toch even slikken.

En dan nu, doctoreren. Ik word dagelijks omringd door bollebozen. Professoren, post-docs, wetenschappers, geneesheren. Mensen die ongelofelijk veel weten. Mensen die enorm goed zijn in hun vak. Mensen die wijsheid uitstràlen. Mensen naar wie ik opkijk.

En in plaats van me aan die bron van kennis te laven, klap ik dicht. Ik kan enkel met grote ogen kijken en in paniek denken ‘dat kan ik niet!’. Ik klap volledig dicht – zowel mentaal als fysiek.  Het werk gaat niet vooruit, ik ben bang om fouten te maken. Ik ben bang om hun hulp te vragen. Ik ben bang om toe te geven dat ik het niét kan. Dat ik niét alles weet. Ik durf geen initiatief nemen om een weg te banen naar mijn eigen doel: dat doctoraat. Ik ben bang voor de struikelblokken van onwetendheid die je vanzelfsprekend tegenkomt. Ik ben bang om met mijn gezicht tegen de muur te lopen.

Ik durf niet.

h1

Het leven van een werkmens.

26 juni 2009

En dan nu het gedeelte dat aan mezelf ligt.

Elk jaar opnieuw wordt het juli. En dan zijn ze daar, de studenten die met hordes terug buiten komen. Gepakt en gezakt, op weg naar huis, op weg naar vakantie. Op weg naar vrijheid. Als ge in Leuven werkt en woont komt ge daar niet onderuit. Ge proeft de vakantie op uw tong. Dat hangt in de lucht. Alles ademt vrije tijd uit.

En dat is pijnlijk. Elke keer moet ge u er aan doen herinneren dat gij dat niet hebt, die vakantie. Niet die lange, heerlijke vakantie waarin je ook niéts mag doen. 

Dàt is het moeilijke van de werkende mens. Ik ben daar zeker van dat ge dat wel gewoon wordt, maar ik mis dat nog altijd: niéts, absoluut niets doen in uw verlofdagen. Want hoe ge dat ook draait of keert, als werkende mens neemt ge vakantie om iéts te doen. Altijd. Anders is dat verloren tijd. Ge gaat weg, op reis, of ge werkt in uw kersverse huis, of ge gaat op citytrip, of ge gaat naar de zee. Maar thuis onbeschaamd uitslapen tot 11.30 om u daarna gewoon te verhuizen naar de zetel, nee, dat doet ge niet.

En dat besef, dat ik nooit meer thuis bij de mama en papa zal zitten, met al die vrije tijd rond mij, dat stemt mij een beetje droevig. ’s Ochtends op het gemak ontbijten, wat in de zetel hangen, wachten tot uw ouders thuiskomen om een boterham te eten. ’s Middags wat rondlummelen en bedenken wat je nog allemaal kan doen die dag. Uren voor de computer hangen of buiten in het zonneke liggen. Films kijken wanneer ge daar zin in hebt. ’s Avonds lang opblijven en doen wat ge wilt, omdat ge weet dat ge ’s anderendaags toch niet vroeg moet opstaan; of de dag daarna, en de dag daarna, en de dag daarna… Ik mis dat eigenlijk wel. En zeker als ik elk jaar opnieuw op dat gemis gewezen word als mijn broer en zus hun laatste examen gemaakt hebben en mij vrolijk fladderend komen wijzen op mijn gevangenschap. Gevangen in het leven van een werkmens.

h1

Dat zit diep, ja.

22 juni 2009

Ik weet niet goed hoe ik dat wat ik nu wil zeggen, moet zeggen.

Ik heb dat wel vaker, dat ik iets niet uitgelegd krijg. Maar dit is iets èn heel persoonlijks èn heel gevoelig voor sommige anderen. Ik heb er ooit, een drietal jaar geleden, al eens over geschreven (maar dat vind je hier niet meer terug) en heb er toen enkele pijnlijke reacties op gekregen.

Ik wil u eerst en vooral één ding zeggen: het ligt aan mij. Het merendeel van alles ligt aan mij. Een klein beetje ook niet, maar die koeien zijn ondertussen al zo oud dat ge die toch niet meer uit de sloot krijgt. Het deel dat aan mij ligt vertel ik de volgende keer. Dat van die koeien krijgt u nu.

Ok. Dus.

Dat wat één van de mooiste dagen van mijn leven tot dan toe had moeten zijn, is een ramp geworden. De hele dag heb ik gehuild en met rode en betraande ogen rondgelopen. Ik schaam me er nog om. Maar als ik verdrietig ben, huil ik. Daar kan ikzelf ook niks aan doen. (En eigenlijk is dat ook gemakkelijk voor u: maakt ge mij verdrietig, dan ziet ge dat meteen). Mijn proclamatie. 

Na 4 jaar hard werken (dat mag ik wel zeggen, denk ik zo), was daar de grote dag: Het Diploma. Tot ze daadwerkelijk mijn naam afriepen. En daarna, die woorden. ‘Geslaagd met voldoening’. Met voldoening. Net genoeg.

Neen, ik ben geen strever avant la lettre. Evenmin een nerd. Maar ik, die nog nooit een graad had gehaald, wou er toch zo graag ééntje hebben. Niet in het minst omdat dat een vereiste is om te mogen doctoreren. Dus het laatste jaar werkte ik extra hard. Mijn thesis was dik ok; mijn vakken in orde.

Ik zou er nog mee hebben kunnen leven moest het allemaal eerlijk geweest zijn (voelt u het aankomen), maar dat vond ik niet. Ik begon me vragen te stellen bij de KULeuven. Over hoe inconsequent ze wel niet zijn. Hoe ze appelen en peren vergelijken, wat de studierichtingen en faculteiten onderling betreft.

Of hoe verklaar je anders, dat er richtingen zijn waarbij iederéén buist op zijn thesis (wegens tijdstekort) en bijgevolg de ganse klas tweede zit heeft. In andere richtingen daarentegen studeerde in eerste zit niémand af zonder minstens een onderscheiding behaald te hebben. Hoe bij de ene richting mensen die altijd consequent gestudeerd hebben en nooit tweede zit gehad hebben met voldoening afstuderen; terwijl in andere richtingen studenten wiens studiejaren gekenmerkt waren door zware bisjaren en ontelbare herexamens, plots in hun laatste jaar grote onderscheiding haalden. Ik herinner me nog goed die ene bioloog, die in het laatste jaar het verschil tussen ratten en muizen niet kende. Maar wel mooi grote onderscheiding haalde.

Ik vond dat allemaal niet eerlijk.

En diegenen die mij kennen, weten het: ik kan mijn mond niet houden. Dus ik vertelde het aan één van onze proffen. Wat me dwars zat. Weet u wat hij antwoordde? ‘Ja, je hebt gelijk. Maar ik kan daar toch niks aan veranderen.’

Daar kan ik nu eens niet tegen. Zo’n degelijke instelling als de KULeuven zou toch een uniform systeem van quoteren moeten hebben? De punten en graden die je haalt zouden toch een maatstaf moeten zijn om te zien waar je staat? Niet enkel tussen je eigen medestudenten die dezelfde richting volgden, maar ook tussen richtingen – en ja, zelfs faculteiten – onderling? Dat ze daar eens iets aan veranderen, verdomme.

(het zit diep, zelfs na al die jaren nog)

h1

En daarbij, zo’n go-pass kost nu ook weer geen stukken van mensen.

18 juni 2009

Normaal gezien ben ik een heel gemakkelijk mens. Snel content, niet veel nodig. Maar gisteren was ik ècht boos. Dit was de zovéélste keer. Met een go-pass kunnen ze het goed maken.

 

Geachte,

 graag had ik om twee – weliswaar verschillende – redenen klacht neergelegd.

 Zoals steeds vul ik naar behoren mijn go-pass in. Zo ook gisteren, toen ik op woensdag 17 juni 2009 de trein van 17.37 in Leuven richting Oostende nam. Plots stonden we stil na Brussel-Zuid. Een zucht van herkenning en irritatie ontsnapte bij meerdere reizigers. Na tien minuten stil gestaan te hebben verkondigt een conducteur via de intercom in gebrekkig nederlands dat we stilstaan wegens druk treinverkeer. Lijkt me raar te zijn. Naar mijn weten is de NMBS de enige die het verkeer bepaalt op spoorlijnen. Maar goed, lang kan dat niet duren me dunkt. Tot de conducteur na weer tien minuten verkondigt dat we een vertraging van onbepaalde duur hebben. Conducteurs zullen ons meer uitleg komen verschaffen in de coupés zelf. Doch nooit een conducteur gezien. Na nogmaals een half uur te wachten rijden we plots verder. Eens voorbij Brussel-Zuid heet de conducteur ons vrolijk – alsof er nooit iets gebeurd is – welkom op de trein richting Oostende. Met een vertraging van meer dan 45 minuten kom ik aan in Gent St. Pieters.

 Op de site staat vermeldt dat je een compensatie kan vragen voor treinen met een vertraging van meer dan 60 minuten. Hoe grappig. Treinen met een vertraging van meer dan 60 minuten worden over het algemeen afgeschaft wegens de volgende trein die op dat uur vertrekt. Bijgevolg kan je dus ook nooit compensatie vragen voor een langdurige vertraging.

 Een tweede NMBS-favorietje die mijn goesting om met de trein te reizen serieus doet afnemen: de treinen vertrekkende naar alle grote steden vanuit Leuven op vrijdagavond. Ik ga me enkel beperken tot de trein die richting Antwerpen rijdt, omdat dit diegene is die ik het vaakst neem. Over beperken gesproken. “Uitzonderlijk rijdt deze trein met een beperkt aantal coupés. Onze excuses hiervoor.” Deze zin is meer regel dan uitzondering. Studenten zuchten al wanneer ze nog maar horen dat de conducteur iets wilt zeggen. En wederom worden we allemaal als sardienen in een blik vervoerd. Hiervoor betaal ik geen 5 euro. Hiervoor koop ik mij geen treinbiljet.

 Als ik een biljet koop wil ik maar twee dingen: een zitplaats, en de zekerheid om aan te komen op het vooropgestelde uur. Zoveel is dat niet gevraagd, naar mijn bescheiden mening.

 Twee dingen vraag ik van u: één nieuwe go-pass ter compensatie van de voorgenoemde ongemakken. En een paar excuses.

vriendelijke groeten,

h1

Iedereen ruikt naar de lente.

15 april 2009

Iedereen ruikt naar de lente en iedereen ziet er zo lente uit. Maar ik heb er geen zin in vandaag, in vrolijk zijn en fladderend en genietend van de lente. Het leven is mooi! zei ik gisteren, en dat is ook zo, zeker weten, maar vandaag baal ik gewoon even. Van mezelf.

Zonne-allergie. Dat heb ik. Vol met rode uitslag en bobbels die niet verdwijnen. _Niet_ verdwijnen, that is. Blijf ik uit de zon valt het allemaal nog wel mee, maar eens mijn bescheiden decollete 5 minuten van het zo kostbare gouden zonlicht opgevangen heeft zie ik eruit als iemand met derdegraads brandwonden. En daar baal ik van.

En al die andere ongemakken. U wilt het allemaal niet weten. Droge plekken op mijn benen die steeds weerkeren maar te onnozel zijn om mee naar een dermatoloog te trekken. De aanhechtingsspier (ik heb het ook maar van iemand anders) tussen mijn rechterbeen en mijn heup doet pijn tijdens het lopen. Een chronische blaasonsteking die nooit weg wilt gaan. Vorige keer liet de dokter wederom een urinestaaltje testen. Toen ik hem opbelde voor de resultaten wist hij mij te vertellen – hou u vast – dat ik een blaastonsteking had – ja hallooo!, na duizendachtendertigdachtig blaastonstekingen wéét ik het wel wanneer ik er een heb. Hij vervolgde: “De antibiotica die je neemt helpen daartegen.” Ja mijnheer, die helpen daartegen. Maar van zodra ik er mee stop is’t ook gedaan met al dat gehelp. Geen stap verder stond ik dus. En vandaag is het weer van dattem. Liters water drink ik, liters water. Ik heb me nog nooit zo koe gevoeld.

Spuugzat ben ik het, dat lijf van mij. Iemand ruilen?

h1

Over alles. En niks.

9 maart 2009

Ik heb het druk. En tegelijk ook niet. Ik doe vanalles. Maar eigenlijk niets. Ik werk, omdat ik een doctoraat wil halen. Ik volg lessen. Omdat ik dingen wil bijleren. Ik volg nog meer lessen. Omdat ik nog meer wil bijleren. Ik loop veel en ver. Omdat ik ver wil kunnen lopen. Ik volg avondschool. Omdat ik dingen wil kunnen. Ik volg muziekles. Omdat ik muziek wil spelen. Ik heb lief. Omdat ik hem graag zie. Alles wat ik doe doe ik omdat ik het wil doen. Klinkt logisch. Maar net daardoor lijkt het allemaal zo irrelevant. Ik doe niets speciaals. Ik niets speciaals voor iemand anders. 

Ik voel me soms zo nutteloos.

Maar ik weet, het uiteindelijke doel van Het Leven, is dat niet gelukkig zijn of daar tenminste naar streven? En dat doe ik, ganse dagen lang. En ik bèn ook gelukkig. Maar zo nutteloos.

Hoe voelt u zich?

h1

En toch.

6 februari 2009

Ik heb alles wat ik wil. Alles waar ik anderhalf jaar geleden van droomde heb ik gekregen of gedaan. Ik huur een gigantisch huis midden in Leuven samen met twee meisjes. Ik maak een doctoraat. Zelfs dat wat ik dacht dat ongemogelijk was is gebeurd: ik heb iemand leren kennen die van me houdt zoals ik ben – zelfs als ik humeurig ben, mijn haren ongewassen zijn  of ik als pyjama een oud lelijk Tshirt draag. Een tijdje geleden heb ik mijn allergrootste droom verwezelijkt: oudjaar op Times Square vieren. Als negenjarige wou ik altijd Amerikaanse zijn, en zie, ik heb het geluk gehad er 10 maanden te mogen wonen. Ik heb dit weekend een leuke rok gevonden, ik heb nieuwe wandelbottinen gevonden. Ik heb zelfs sinds kort een hangertje van mijn favoriete juwelenontwerpers. Ik had zin in broodpudding, en kijk, er staat een gigantisch stuk naast mij.

En toch. En toch.

Toch ben ik eergisteren in de armen van mijn lief in huilen uitgebarsten. En ik wist niet waarom. Ik voelde me een ietsiepietsieheelkleinbeetje ongelukkig, zo diep van binnen. Daar waar je er niet aan kunt. Daar waar je er ellendig van wordt.

‘Maar ik heb alles’, dacht ik. Dus vond ik me een ondankbaar wicht en een verwend nest.

En huilde ik nog harder.

Maar ik weet geeneens wat er scheelt.

‘Misschien, misschien denk je gewoon te veel na’, zegt mijn lief na een tijdje. Misschien wel ja. Misschien is het tijd om wat minder na te denken en wat meer te genieten.