Archief voor de ‘studie en werk’ Categorie

h1

Maar we werken om te leven.

23 juli 2009

Ik leef nog! En hoe. De tijd vliegt voorbij. En toch ook weer niet. De dagen duren lang, maar wanneer je op de kalender ‘23 juli 2009′ ziet staan besef je dat de zomer al bijna halfweg is. 

Mijn dagen worden gevuld met Elisa’s, restimulaties van cellijnen, C57Bl6 muizen verzorgen en opvolgen, nieuwe experimenten plannen, APC’s, CD4+ T cellen en andere opzuiveringen. Proliferatietesten van KD6 400 MBP monoclonale en polyclonale cellijnen. Jawaddedadde.

Maar we werken om te leven, zodus vullen we die oh zo kostbare vrije tijd in met naar zee gaan, BBQ’en, wandelen, in fancy restaurants gaan eten, tranen met tuiten lachen omdat er knettersnoep in het dessert zit waardoor het knettert langs alle kanten in onze mond. We zitten veel in de auto, onderweg naar overal en nergens. Leuven, zijn thuis, mijn thuis, de zee. We dromen stiekem van een eigen plekje en zweren dat we beiden onze tassen (ik een blauwe van hedgren, hij een bruine leren) gaan verbranden van zodra we een eigen echte thuis hebben en we niet meer uit zo’n gdvrdms weekendtas moeten leven (merk mijn frustratie op). Al zal het toch nog een tijdje duren eer het zover is. Maar zolang meer dan de helft van mijn dagen eindigen in zijn armen, ben ik al een zeer gelukkige mens.

h1

Ik durf niet.

6 juli 2009

Het gaat me niet af de laatste tijd.

U zal het wel gevoeld hebben, in die laatste blogposts. Dat iets me dwarszit. Dat er iets schort, maar dat ik zelf niet weet wat precies. Of misschien toch wel.

Pas op, ik leg mijn hart bloot. 

In het lager onderwijs ging alles als vanzelf. Spelen was het, en goed mijn best doen. En bij de besten horen. In het middelbaar was het van hetzelfde. Ik werkte hard – veel te hard, veel harder dan nodig was, achteraf bekeken – maar weer hoorde ik bij de beteren. Ik was nooit de beste van de klas, dat hoefde ook niet, maar ik was één van de leerlingen waar geen omkijken naar was. Ik kwam er wel, vanzelf.

Eerste kandidatuur. In eerste zit geslaagd. Niet met schitterende punten, maar ik hoorde wel bij de betere helft, aangezien ongeveer de helft van mijn collega’s niet geslaagd was – tweede zit, bissen, of stoppen. Gedurende de laatste jaren van mijn studies hoorde ik echter al lang niet meer bij de eersten van mijn jaar. Doordat diegenen die het niet aankonden afgehaakt hadden kwam ikzelf onderaan de ladder te staan. Ik moest het toegeven: bij sommigen gaat het gemakkelijker, sommigen werken harder, sommigen zijn tout court slimmer dan mij. Dat kan. Tuurlijk kan dat. Maar het doet je toch even slikken.

En dan nu, doctoreren. Ik word dagelijks omringd door bollebozen. Professoren, post-docs, wetenschappers, geneesheren. Mensen die ongelofelijk veel weten. Mensen die enorm goed zijn in hun vak. Mensen die wijsheid uitstràlen. Mensen naar wie ik opkijk.

En in plaats van me aan die bron van kennis te laven, klap ik dicht. Ik kan enkel met grote ogen kijken en in paniek denken ‘dat kan ik niet!’. Ik klap volledig dicht – zowel mentaal als fysiek.  Het werk gaat niet vooruit, ik ben bang om fouten te maken. Ik ben bang om hun hulp te vragen. Ik ben bang om toe te geven dat ik het niét kan. Dat ik niét alles weet. Ik durf geen initiatief nemen om een weg te banen naar mijn eigen doel: dat doctoraat. Ik ben bang voor de struikelblokken van onwetendheid die je vanzelfsprekend tegenkomt. Ik ben bang om met mijn gezicht tegen de muur te lopen.

Ik durf niet.

h1

Het leven van een werkmens.

26 juni 2009

En dan nu het gedeelte dat aan mezelf ligt.

Elk jaar opnieuw wordt het juli. En dan zijn ze daar, de studenten die met hordes terug buiten komen. Gepakt en gezakt, op weg naar huis, op weg naar vakantie. Op weg naar vrijheid. Als ge in Leuven werkt en woont komt ge daar niet onderuit. Ge proeft de vakantie op uw tong. Dat hangt in de lucht. Alles ademt vrije tijd uit.

En dat is pijnlijk. Elke keer moet ge u er aan doen herinneren dat gij dat niet hebt, die vakantie. Niet die lange, heerlijke vakantie waarin je ook niéts mag doen. 

Dàt is het moeilijke van de werkende mens. Ik ben daar zeker van dat ge dat wel gewoon wordt, maar ik mis dat nog altijd: niéts, absoluut niets doen in uw verlofdagen. Want hoe ge dat ook draait of keert, als werkende mens neemt ge vakantie om iéts te doen. Altijd. Anders is dat verloren tijd. Ge gaat weg, op reis, of ge werkt in uw kersverse huis, of ge gaat op citytrip, of ge gaat naar de zee. Maar thuis onbeschaamd uitslapen tot 11.30 om u daarna gewoon te verhuizen naar de zetel, nee, dat doet ge niet.

En dat besef, dat ik nooit meer thuis bij de mama en papa zal zitten, met al die vrije tijd rond mij, dat stemt mij een beetje droevig. ’s Ochtends op het gemak ontbijten, wat in de zetel hangen, wachten tot uw ouders thuiskomen om een boterham te eten. ’s Middags wat rondlummelen en bedenken wat je nog allemaal kan doen die dag. Uren voor de computer hangen of buiten in het zonneke liggen. Films kijken wanneer ge daar zin in hebt. ’s Avonds lang opblijven en doen wat ge wilt, omdat ge weet dat ge ’s anderendaags toch niet vroeg moet opstaan; of de dag daarna, en de dag daarna, en de dag daarna… Ik mis dat eigenlijk wel. En zeker als ik elk jaar opnieuw op dat gemis gewezen word als mijn broer en zus hun laatste examen gemaakt hebben en mij vrolijk fladderend komen wijzen op mijn gevangenschap. Gevangen in het leven van een werkmens.

h1

Ik ben blij, echt waar. En een heel heel heel klein beetje droevig.

23 juni 2009

Dus, waarom ik dat hele vorige relaas plots weer oprakelde.

Mijn zuster studeert af.

En mama en papa zijn fier op haar. Terecht, dat mag wel gezegd worden. Ze wordt gepromoveerd tot burgerlijk ingenieur- architect.

(volledige titelvermelding is heel belangrijk, telkens iemand me vroeg wat ze studeerde en ik zei ‘architect’ verbeterde ze me: ‘Nee! Het is wel _bur-ge-lijk in-ge-ni-eur ar-chi-tect_’) 

Volgende week vrijdag heeft ze proclamatie. En mama en papa zijn er al dagen over bezig. Zijzelf ook. Haar ogen blinken en ze is trots en blij en jong en vrolijk en dartel (ze leest mee, vandaar de adjectieven). Haar punten waren in januari heel erg goed, nu gingen de examens ook goed en haar thesis is een prachtwerk (dat moet zelfs ik als evil sister toegeven). Ongetwijfeld grote onscheiding.

En ik gun haar dat! Ze werkte hard en is intelligent en ze heeft een schoon handschrift (dat heeft er niks mee te maken maar mama beweert dat architecten – excuseer, _burgelijk ingenieur_ architecten, mooi moeten kunnen schrijven. Ok dan.) Ik ben dus oprecht blij voor haar dat ze afgestudeerd is en dat ze schone resultaten gehaald heeft.

Maar – en laat me nu maar gewoon – dat doet ook een beetje pijn. Omdat mijn proclamatie één soep was. Omdat ik pissig was en gehuild heb. Omdat mama mij dat altijd kwalijk heeft genomen. Ze heeft me dat één keer gezegd maar ik voel dat nog altijd. Ze wou zo graag pronken met mij, die dag.

Dus ja, ik ben blij voor mijn zus. Echt waar. Maar laat me nu maar gewoon stilletjes in mijn hoekje zitten. Beetje (heel heel heel klein beetje maar) triest zijn omdat zij mij doet denken aan hoe het bij mij (ook) had moeten/kunnen zijn.

h1

Dat zit diep, ja.

22 juni 2009

Ik weet niet goed hoe ik dat wat ik nu wil zeggen, moet zeggen.

Ik heb dat wel vaker, dat ik iets niet uitgelegd krijg. Maar dit is iets èn heel persoonlijks èn heel gevoelig voor sommige anderen. Ik heb er ooit, een drietal jaar geleden, al eens over geschreven (maar dat vind je hier niet meer terug) en heb er toen enkele pijnlijke reacties op gekregen.

Ik wil u eerst en vooral één ding zeggen: het ligt aan mij. Het merendeel van alles ligt aan mij. Een klein beetje ook niet, maar die koeien zijn ondertussen al zo oud dat ge die toch niet meer uit de sloot krijgt. Het deel dat aan mij ligt vertel ik de volgende keer. Dat van die koeien krijgt u nu.

Ok. Dus.

Dat wat één van de mooiste dagen van mijn leven tot dan toe had moeten zijn, is een ramp geworden. De hele dag heb ik gehuild en met rode en betraande ogen rondgelopen. Ik schaam me er nog om. Maar als ik verdrietig ben, huil ik. Daar kan ikzelf ook niks aan doen. (En eigenlijk is dat ook gemakkelijk voor u: maakt ge mij verdrietig, dan ziet ge dat meteen). Mijn proclamatie. 

Na 4 jaar hard werken (dat mag ik wel zeggen, denk ik zo), was daar de grote dag: Het Diploma. Tot ze daadwerkelijk mijn naam afriepen. En daarna, die woorden. ‘Geslaagd met voldoening’. Met voldoening. Net genoeg.

Neen, ik ben geen strever avant la lettre. Evenmin een nerd. Maar ik, die nog nooit een graad had gehaald, wou er toch zo graag ééntje hebben. Niet in het minst omdat dat een vereiste is om te mogen doctoreren. Dus het laatste jaar werkte ik extra hard. Mijn thesis was dik ok; mijn vakken in orde.

Ik zou er nog mee hebben kunnen leven moest het allemaal eerlijk geweest zijn (voelt u het aankomen), maar dat vond ik niet. Ik begon me vragen te stellen bij de KULeuven. Over hoe inconsequent ze wel niet zijn. Hoe ze appelen en peren vergelijken, wat de studierichtingen en faculteiten onderling betreft.

Of hoe verklaar je anders, dat er richtingen zijn waarbij iederéén buist op zijn thesis (wegens tijdstekort) en bijgevolg de ganse klas tweede zit heeft. In andere richtingen daarentegen studeerde in eerste zit niémand af zonder minstens een onderscheiding behaald te hebben. Hoe bij de ene richting mensen die altijd consequent gestudeerd hebben en nooit tweede zit gehad hebben met voldoening afstuderen; terwijl in andere richtingen studenten wiens studiejaren gekenmerkt waren door zware bisjaren en ontelbare herexamens, plots in hun laatste jaar grote onderscheiding haalden. Ik herinner me nog goed die ene bioloog, die in het laatste jaar het verschil tussen ratten en muizen niet kende. Maar wel mooi grote onderscheiding haalde.

Ik vond dat allemaal niet eerlijk.

En diegenen die mij kennen, weten het: ik kan mijn mond niet houden. Dus ik vertelde het aan één van onze proffen. Wat me dwars zat. Weet u wat hij antwoordde? ‘Ja, je hebt gelijk. Maar ik kan daar toch niks aan veranderen.’

Daar kan ik nu eens niet tegen. Zo’n degelijke instelling als de KULeuven zou toch een uniform systeem van quoteren moeten hebben? De punten en graden die je haalt zouden toch een maatstaf moeten zijn om te zien waar je staat? Niet enkel tussen je eigen medestudenten die dezelfde richting volgden, maar ook tussen richtingen – en ja, zelfs faculteiten – onderling? Dat ze daar eens iets aan veranderen, verdomme.

(het zit diep, zelfs na al die jaren nog)

h1

Dingen die je niemand toewenst.

1 april 2009

+ Erg zin hebben in Choco spritsen maar het pakje niet open krijgen. Gefrustreerd het papier eraf trekken waardoor de kruimels in het rond vliegen.

+ studeren terwijl de eerste echte lente echt in het land is.

+ Opstaan, de zon schijnt. Voor je kleerkast staan maar in de verste verte niets leuks terugvinden dat bij die eerste zon past.

+ de eerste echte rotvlieg van het jaar die je de ganse tijd ambeteert als je aan je computer werkt. Je concentreren op de vlieg met een kwade blik, klaar om de aanval aan te gaan. Half rechtstaand van je stoel, je arm bewegingsloos in de lucht om het beest te vangen. Heel langzaam naar voor leunen en met een vliegensvlugge beweging trachten de vlieg te vangen; Wat uiteraard niet lukt waardoor  het lijkt alsof je wat onnozel in de lucht staat te maaien met je armen. En dan zien dat er een collega achter je in het deurgat geamuseerd stond toe te kijken.

+ Toekomen op je werk, je trui uittrekken. Iedereen gedag zeggen. Op je gemak een tasje koffie halen. Naar het toilet. In de spiegel zien dat je je T-shirt achterstevoren aan hebt.

h1

Ik wil jullie zoveel vertellen.

27 oktober 2008

Ik zou jullie zoveel willen vertellen.

Over hoe ik iets ben gaan drinken met een vriendin die ik al maanden en maanden niet meer had gezien. Hoe ze tranen in haar ogen had toen ze afscheid nam en zei dat we’t nooit meer zo lang mogen rekken voor we elkaar terug zullen zien.

Over hoe Elisabeth aan mijn hand wandelde, en zowaar de volle vier seconden alleen recht bleef staan. Ze wilde vooruit, alleen, zonder hand, maar haar beentjes zeiden nog nee, en met een plof zakte ze terug op de grond. Een prachtmeid, dat is ze. Een prachtmeid.

Over hoe ik af en toe mijn ventje nog terug zie – laten we hem voortaan maar gewoon ventje noemen wegens niet meer van mij – maar hoe diep het nog steeds zit, dat telkens weer gekwetst worden. Ik ben overgelukkig nu, met iemand anders, maar wanneer ik naar hem kijk voel ik het nog steeds, de pijn van vroeger, mijn hart dat meermaals door hem gebroken werd, de angst om door hem verlaten te worden. Raar hoe zo’n gevoelens omgezet worden in je lichaam: vertelt hij me nu dat hij een ander kust, dan gaat mijn hart sneller slaan, nu nog, nog steeds. Ik ben een en al hond van Pavlov als je het mij vraagt.

Over mijn – ondertussen niet meer zo? – nieuwe lief, hoe fantastisch hij is. Dat hij zo vaak 5 euro neertelt, enkel en alleen maar om sneller bij mij te kunnen zijn. En dat voor de enige toltunnel van België. Dat hij zonder mijn medeweten uit zijn auto stapt wanneer hij mij aan het station afgezet heeft, op weg naar een nieuwe werkdag, en mij achterna rent voor nog een allerlaatste zoen. Tot hij bij zichzelf zegt ‘doe niet belachelijk, kruip terug je auto in’, en weer instapt. Ik heb het nooit geweten tot weken nadien.

Over mijn mama, hoe graag ze mijn vriendje heeft. Ze koopt cola voor hem – èchte – omdat ze weet dat hij dat graag drinkt. Hoe ze sloffen voor hem klaar zet als ze weet dat hij komt. Dat ze me al lachend – maar stiekem bedoelt ze het wel serieus – vertelt dat ze hoopt dat hij haar later ‘ma’ zal noemen, “zoals ik oma toch ook ma noem” vermeldt ze er bij.

Over hoe’n deugd het deed, mijn hartsvriendin weer eens in mijn armen te kunnen sluiten. ’s Avonds laat beiden in de zetel onder een donsdeken in slaap vallen. Terug wakker worden en haar over haar wang wrijven. Zien hoe ze er zelf ook van geniet nog eens een avond met jou te spenderen.

Over mijn oma, dat ze gevallen is en haar heup gebroken heeft. Ze is een beetje in de war. Begrijpt niet waarom ze in een rolstoel zit. Als we haar vertellen dat ze geopereerd geweest is lacht ze en zegt ze ‘ik, geopeerd? Maar nee!’. Ze heeft pijn, maar ze weet het zelf niet meer.

Over hoe ik twijfel. Over wat ik wil, nu, vandaag, morgen, later. Over wat ik kan en wat ik wil. Over hoe ik zo hard kan piekeren dat ik er niet van in slaap kan vallen. Het enige dat me op zo’n momenten tot rust kan brengen zijn zijn armen. Zijn armen om me heen en zijn ogen waarin ik kan lezen dat alles, ooit, in orde zal komen.

Over hoe ik te weinig tijd heb. Om te lopen, te sporten, te lezen, te schrijven – sorry! – mijn familie te zien, te luieren, muziek te maken, te leven.

h1

Een heel klein beetje bang.

2 september 2008

Ik dacht dat ze op waren, mijn tranen. Ik dacht van mezelf dat ik opgedroogd was, als een klein meertje dat in de zomer slechts barsten in de grond vertoont.

Maar onlangs waren ze daar, met tientallen en honderden tegelijk. Ze rolden uit mijn ogen, over mijn wangen, langs mijn kin recht naar de grond. Kleine beekjes liepen er over mijn gezicht. Hij zat naast me en kon niet veel meer doen dan zijn hand op mijn knie leggen en kleine neepjes in mijn hand geven en zeggen dat alles in orde komt.

Twijfel, overal twijfel. En dat is waar ik zo bang van ben. Niet weten wat je wilt, niet weten wat je moet doen. Beseffen dat nieuwe kansen zich voordoen, maar vooral dat nog veel meer dingen niet meer mogelijk zijn. Als kind ligt je hele leven voor je. Al spelend baan je je een weg naar de puberteit, naar de volwassenheid. En dan kom je aan een kruispunt. De middelbare school. Kiezen. ASO? TSO? Latijn? Wiskunde? Talen? Je slaat een weg in die je blijft volgen. Tot het volgende kruispunt. Universiteit? Hogeschool? Wetenschappen? Talen? Economie? Ingenieur? Niet wetend wat het allemaal juist inhoudt sla je een weg in, die je weer blijft volgen. Tot je weer het volgende kruispunt tegenkomt. Werken? Verder studeren? Doctoreren? En je blijft maar gaan, altijd vooruit. Zo hoort het.

En plots sta je even stil en kijk je achterom. Om te beseffen dat door alle keuzes die je gemaakt hebt en door alle richtingen die je ingeslaan bent, heel wat andere bestemmingen onbereikbaar zijn geworden. En begin je te twijfelen. Hoe zou het daar zijn? Wat als? Wat is er daar te zien? Zou ik?

En word je een heel klein beetje bang.

h1

Over de zoo en negerkes.

28 juni 2008

Als ge over iets schrijft lijkt het altijd vele interessanter, boeiender en spannender dan wanneer ge er niet over schrijft. Ik kan naar de zoo gaan en er niet over schrijven en na drie weken halvelings vergeten dat ik naar de zoo geweest ben en ‘ach ja, da’s waar, dat heb ik ook gedaan’ denken als iemand over een rondleiding in de zoo vertelt. Om het dan binnen een jaar helemaal vergeten te zijn en te denken dat het weer minstens tien jaar geleden is dat ik nog in de zoo geweest ben.

Maar ik kan er ook over schrijven en zeggen hoe fijn het voelde om om drie uur ’s middags zonnestralen op mijn snoet te voelen, omdat ik om drie uur ’s middags normaal gezien nooit zonnestralen op mijn gezicht voel aangezien ik dan aan het werk ben maar die dag toen niet – we hadden een user day in de zoo van één of andere firma waar we vaak producten van kopen in het labo. En ik voelde niet zomaar de zonnestralen op mijn snoet maar ik voelde ze terwijl er links van mij een panter liep en rechts een paar okapi’s naar mij stonden te kijken wat het geheel eens zo absurd en leuk maakte.

Na de verplichte lezingen kregen we dus die rondleiding in de zoo en we mochten een slang vasthouden en ik heb een tarantula van heel erg dichtbij gezien maar niet aangeraakt, dat mocht niet – vele mensen zijn blijkbaar allergisch aan de haren op de poten van die spinnen - wat ik eigenlijk wel jammer vond. Niet zozeer omdat ik ècht eens een tarantula wil vasthouden dan wel omdat ik graag zou willen kunnen zèggen dat ik ooit eens een tarantula heb vastgehouden. Nu kan ik enkel zeggen dat ik zo’n spin van héél erg dichtbij heb mogen bekijken, zonder glas tussen, maar toch, het is een stuk minder cool dan kunnen zeggen dat je zo’n beestje hebt vastgehouden.

We namen de trein een uur later terug naar huis na die user day zodat we nog één keer de toer konden doen, voorbij de apen, panters, nachtdieren, leeuwen, jaguars, olifanten en giraffen. Die laatsten hadden besloten net op dat moment binnen te staan, maar dat maakte niet uit, het gevoel dat er zich op dat eigenste moment op een kleine tien meter afstand van jou echt levende giraffen stonden maakte ook al veel goed.

En wisten jullie dat vroeger – toen de zoo nog een echte tuin was waar je enkel op uitnodiging binnen mocht – een rijk iemand ooit een negerke kado gedaan heeft aan de zoo? In de beginjaren liep hij als curiositeit rond in de zoo en later werd hij portier en uiteindelijk mocht hij de vogelkes verzorgen. Hij trouwde met een meisje uit Boom en leefde nog lang en gelukkig. Ge moogt daar niet mee lachen en al – ge moogt tegenwoordig nooit lachen met verhalen over kleurlingen – maar stiekem vond ik dat verhaal toch hilarisch. Mijn lach werd minder stiekem toen de begeleider vertelde dat ze dezer dagen geen negerkes meer hebben rondlopen in de zoo omdat ge tegenwoordig meer negerkes buiten de zoo dan in de zoo vindt. Hoe hij dat zo ongecompliceerd vertelde, zonder een greintje sarcasme of racisme, dat maakte het alleen maar mooier. Ge zou er spontaan alle negerkes in Antwerpen van beginnen knuffelen.

h1

niet enkel kommer en kwel

6 maart 2008

Dingen die me blij maakten gisteren en vandaag:

* ‘Killing in the name’ van Rage against the machine gigantisch luid in mijn oren laten schallen terwijl ik fiets en in mijn hoofd luid meeroepend door leuven rondfietsen met een gigantisch hoog Je m’en fou-gehalte. It’s like therapy.

* De knalroze rok met witte bollen die ik me gisteren aangeschaft heb.

* Met twee vriendinnen een avondje uit. Lekker gaan eten in de werf en een nieuwe cocktailbar (Louvain Louvain heette het, denk ik) uittesten op de oude markt.

* De perfecte caipiriña die ik daar voorgeschoteld kreeg.

* De prof die je komt feliciteren omdat je toegelaten bent tot het doctoraatsprogramma.

* Toegelaten zijn tot het doctoraatsprogramma.

* Een sympathieke collega tegen wie ik eigenlijk niet meer dan een ‘goedemorgen’ en ‘goedeavond’ zeg die me onverwacht een mail stuurt waarin hij vertelt dat hij er dringend even tussenuit moet. Dat hij een avondje naar Gent wilt volgende week. En of ik toevallig geen zin heb om mee te gaan.

U ziet, mijn leven is niet enkel kommer en kwel ook niet – verzekers niet.