Lieve oma,
af en toe heb ik zo’n zin in jouw kip met zurkel. Ik zou je graag willen vragen hoe jij dat klaarmaakte. Ik kan het vragen, maar als antwoord zeg je steevast dat je dat niet meer weet, en dan lach je zo’n beetje.
Mama maakt ook wel kip met zurkel, maar die is niet zo lekker. Mama zegt dat jij dat niet juist klaarmaakte. Dat je rijst te slap was en er zat te veel room bij de zurkel. ‘Ik zal dat ne keer juist maken, zie’, zegt ze dan. Maar eigenlijk vind ik die van haar helemaal niet zo lekker. Mislukt of niet, ik vond de jouwe altijd veel lekkerder. Misschien wel net doordat de rijst de waterig was en de zurkel te veel room bevatte.
Rijst en spaghetti, dat was de wereldkeuken voor jou. Dat was ‘vreemd eten’. Je maakte het maar om ons een plezier te doen. Patatten en vlees, dàt was echt eten. Vandaar misschien dat het allemaal niet zo goed lukte. Maar hij was zo lekker, zo lekker, die rijst met kip en zurkel.
Ik had het je moeten vragen toen je het nog wist. Maar nu weet je soms zelfs even mijn naam even niet meer.
Maar, lieve oma, als ik heel eerlijk ben, moet ik ook wel zeggen dat
je spaghetti daarentegen
echt niet te vreten was.
