h1

Ik durf niet.

6 juli 2009

Het gaat me niet af de laatste tijd.

U zal het wel gevoeld hebben, in die laatste blogposts. Dat iets me dwarszit. Dat er iets schort, maar dat ik zelf niet weet wat precies. Of misschien toch wel.

Pas op, ik leg mijn hart bloot. 

In het lager onderwijs ging alles als vanzelf. Spelen was het, en goed mijn best doen. En bij de besten horen. In het middelbaar was het van hetzelfde. Ik werkte hard – veel te hard, veel harder dan nodig was, achteraf bekeken – maar weer hoorde ik bij de beteren. Ik was nooit de beste van de klas, dat hoefde ook niet, maar ik was één van de leerlingen waar geen omkijken naar was. Ik kwam er wel, vanzelf.

Eerste kandidatuur. In eerste zit geslaagd. Niet met schitterende punten, maar ik hoorde wel bij de betere helft, aangezien ongeveer de helft van mijn collega’s niet geslaagd was – tweede zit, bissen, of stoppen. Gedurende de laatste jaren van mijn studies hoorde ik echter al lang niet meer bij de eersten van mijn jaar. Doordat diegenen die het niet aankonden afgehaakt hadden kwam ikzelf onderaan de ladder te staan. Ik moest het toegeven: bij sommigen gaat het gemakkelijker, sommigen werken harder, sommigen zijn tout court slimmer dan mij. Dat kan. Tuurlijk kan dat. Maar het doet je toch even slikken.

En dan nu, doctoreren. Ik word dagelijks omringd door bollebozen. Professoren, post-docs, wetenschappers, geneesheren. Mensen die ongelofelijk veel weten. Mensen die enorm goed zijn in hun vak. Mensen die wijsheid uitstràlen. Mensen naar wie ik opkijk.

En in plaats van me aan die bron van kennis te laven, klap ik dicht. Ik kan enkel met grote ogen kijken en in paniek denken ‘dat kan ik niet!’. Ik klap volledig dicht – zowel mentaal als fysiek.  Het werk gaat niet vooruit, ik ben bang om fouten te maken. Ik ben bang om hun hulp te vragen. Ik ben bang om toe te geven dat ik het niét kan. Dat ik niét alles weet. Ik durf geen initiatief nemen om een weg te banen naar mijn eigen doel: dat doctoraat. Ik ben bang voor de struikelblokken van onwetendheid die je vanzelfsprekend tegenkomt. Ik ben bang om met mijn gezicht tegen de muur te lopen.

Ik durf niet.

h1

De vliegeraar

2 juli 2009

Ik ben 24 en ik had nog nooit gevliegerd. Nog. Nooit. Gevliegerd?! Zie ik u denken. Ja, ik weet het, maar lees vooral de ‘had’, wat dus impliceert dat ik het ondertussen wel gedaan heb en u het niet meer tegen mij kan gebruiken (niet dat er iemand wist dat ik nog nooit gevliegerd had, iederéén heeft immers al gevliegerd op zijn 24ste, maar ik dus niet – en nu weet u het).

Beetje laat om mee te beginnen, ik weet het, maar toch. Een mens moet toch ooit in zijn leven gevliegerd hebben?

Mijn lief en ik trokken dus naar het strand met een vlieger. Niet eens zomaar een vlieger, maar een mooie handgemaakte vlieger die zijn ouders als souvenir mee uit Bali hadden genomen. Ze wisten niet dat we gingen vliegeren (wat misschien maar beter zo was). De vlieger zag er zo handgemaakt uit dat we beiden vermoedden dat hij toch nooit de lucht in zou gaan. Maar voor alle zekerheid liepen we alle andere vliegeraars op het strand, met hun mooie, kleurrijke, grote, lichte maar fabriekgemaakte plastieken vliegers voorbij. Tot niemand ons nog zag. Ze moesten ons maar eens kunnen zien, twee 24-jarigen, met een touwtje in hun handen en een vlieger een tiental meter verder koppig in het zand.

Hij hield het touw vast en wikkelde het zorgvuldig enkele meters af. Ik hield de vlieger vast. ‘Klaar?’, vroeg ik. ‘Klaar!’ riep hij. Ik duwde de vlieger met zijn neus de lucht in, en liet hem los. En. Hij vloog! Hij vloog. We wikkelden het touw verder af tot het niet meer verder kon. Enkele duikelingen door de lucht en enkele crashes in het zand, maar hij kon vliegen! En als we er niet te wild mee deden bleef hij omhoog. Daar stond ik dan, met een touw in mijn handen. Fier als een gieter, met een mooie vlieger in mijn handen. Een handgeschilderde, grote blauwe vlieger.

Een uurtje later keerden we terug. En getuigde enkel het zand op de kop van de grote blauwe vlindervlieger tegen de muur nog van ons grote avontuur.

h1

Het leven van een werkmens.

26 juni 2009

En dan nu het gedeelte dat aan mezelf ligt.

Elk jaar opnieuw wordt het juli. En dan zijn ze daar, de studenten die met hordes terug buiten komen. Gepakt en gezakt, op weg naar huis, op weg naar vakantie. Op weg naar vrijheid. Als ge in Leuven werkt en woont komt ge daar niet onderuit. Ge proeft de vakantie op uw tong. Dat hangt in de lucht. Alles ademt vrije tijd uit.

En dat is pijnlijk. Elke keer moet ge u er aan doen herinneren dat gij dat niet hebt, die vakantie. Niet die lange, heerlijke vakantie waarin je ook niéts mag doen. 

Dàt is het moeilijke van de werkende mens. Ik ben daar zeker van dat ge dat wel gewoon wordt, maar ik mis dat nog altijd: niéts, absoluut niets doen in uw verlofdagen. Want hoe ge dat ook draait of keert, als werkende mens neemt ge vakantie om iéts te doen. Altijd. Anders is dat verloren tijd. Ge gaat weg, op reis, of ge werkt in uw kersverse huis, of ge gaat op citytrip, of ge gaat naar de zee. Maar thuis onbeschaamd uitslapen tot 11.30 om u daarna gewoon te verhuizen naar de zetel, nee, dat doet ge niet.

En dat besef, dat ik nooit meer thuis bij de mama en papa zal zitten, met al die vrije tijd rond mij, dat stemt mij een beetje droevig. ’s Ochtends op het gemak ontbijten, wat in de zetel hangen, wachten tot uw ouders thuiskomen om een boterham te eten. ’s Middags wat rondlummelen en bedenken wat je nog allemaal kan doen die dag. Uren voor de computer hangen of buiten in het zonneke liggen. Films kijken wanneer ge daar zin in hebt. ’s Avonds lang opblijven en doen wat ge wilt, omdat ge weet dat ge ’s anderendaags toch niet vroeg moet opstaan; of de dag daarna, en de dag daarna, en de dag daarna… Ik mis dat eigenlijk wel. En zeker als ik elk jaar opnieuw op dat gemis gewezen word als mijn broer en zus hun laatste examen gemaakt hebben en mij vrolijk fladderend komen wijzen op mijn gevangenschap. Gevangen in het leven van een werkmens.

h1

Ik ben blij, echt waar. En een heel heel heel klein beetje droevig.

23 juni 2009

Dus, waarom ik dat hele vorige relaas plots weer oprakelde.

Mijn zuster studeert af.

En mama en papa zijn fier op haar. Terecht, dat mag wel gezegd worden. Ze wordt gepromoveerd tot burgerlijk ingenieur- architect.

(volledige titelvermelding is heel belangrijk, telkens iemand me vroeg wat ze studeerde en ik zei ‘architect’ verbeterde ze me: ‘Nee! Het is wel _bur-ge-lijk in-ge-ni-eur ar-chi-tect_’) 

Volgende week vrijdag heeft ze proclamatie. En mama en papa zijn er al dagen over bezig. Zijzelf ook. Haar ogen blinken en ze is trots en blij en jong en vrolijk en dartel (ze leest mee, vandaar de adjectieven). Haar punten waren in januari heel erg goed, nu gingen de examens ook goed en haar thesis is een prachtwerk (dat moet zelfs ik als evil sister toegeven). Ongetwijfeld grote onscheiding.

En ik gun haar dat! Ze werkte hard en is intelligent en ze heeft een schoon handschrift (dat heeft er niks mee te maken maar mama beweert dat architecten – excuseer, _burgelijk ingenieur_ architecten, mooi moeten kunnen schrijven. Ok dan.) Ik ben dus oprecht blij voor haar dat ze afgestudeerd is en dat ze schone resultaten gehaald heeft.

Maar – en laat me nu maar gewoon – dat doet ook een beetje pijn. Omdat mijn proclamatie één soep was. Omdat ik pissig was en gehuild heb. Omdat mama mij dat altijd kwalijk heeft genomen. Ze heeft me dat één keer gezegd maar ik voel dat nog altijd. Ze wou zo graag pronken met mij, die dag.

Dus ja, ik ben blij voor mijn zus. Echt waar. Maar laat me nu maar gewoon stilletjes in mijn hoekje zitten. Beetje (heel heel heel klein beetje maar) triest zijn omdat zij mij doet denken aan hoe het bij mij (ook) had moeten/kunnen zijn.

h1

Dat zit diep, ja.

22 juni 2009

Ik weet niet goed hoe ik dat wat ik nu wil zeggen, moet zeggen.

Ik heb dat wel vaker, dat ik iets niet uitgelegd krijg. Maar dit is iets èn heel persoonlijks èn heel gevoelig voor sommige anderen. Ik heb er ooit, een drietal jaar geleden, al eens over geschreven (maar dat vind je hier niet meer terug) en heb er toen enkele pijnlijke reacties op gekregen.

Ik wil u eerst en vooral één ding zeggen: het ligt aan mij. Het merendeel van alles ligt aan mij. Een klein beetje ook niet, maar die koeien zijn ondertussen al zo oud dat ge die toch niet meer uit de sloot krijgt. Het deel dat aan mij ligt vertel ik de volgende keer. Dat van die koeien krijgt u nu.

Ok. Dus.

Dat wat één van de mooiste dagen van mijn leven tot dan toe had moeten zijn, is een ramp geworden. De hele dag heb ik gehuild en met rode en betraande ogen rondgelopen. Ik schaam me er nog om. Maar als ik verdrietig ben, huil ik. Daar kan ikzelf ook niks aan doen. (En eigenlijk is dat ook gemakkelijk voor u: maakt ge mij verdrietig, dan ziet ge dat meteen). Mijn proclamatie. 

Na 4 jaar hard werken (dat mag ik wel zeggen, denk ik zo), was daar de grote dag: Het Diploma. Tot ze daadwerkelijk mijn naam afriepen. En daarna, die woorden. ‘Geslaagd met voldoening’. Met voldoening. Net genoeg.

Neen, ik ben geen strever avant la lettre. Evenmin een nerd. Maar ik, die nog nooit een graad had gehaald, wou er toch zo graag ééntje hebben. Niet in het minst omdat dat een vereiste is om te mogen doctoreren. Dus het laatste jaar werkte ik extra hard. Mijn thesis was dik ok; mijn vakken in orde.

Ik zou er nog mee hebben kunnen leven moest het allemaal eerlijk geweest zijn (voelt u het aankomen), maar dat vond ik niet. Ik begon me vragen te stellen bij de KULeuven. Over hoe inconsequent ze wel niet zijn. Hoe ze appelen en peren vergelijken, wat de studierichtingen en faculteiten onderling betreft.

Of hoe verklaar je anders, dat er richtingen zijn waarbij iederéén buist op zijn thesis (wegens tijdstekort) en bijgevolg de ganse klas tweede zit heeft. In andere richtingen daarentegen studeerde in eerste zit niémand af zonder minstens een onderscheiding behaald te hebben. Hoe bij de ene richting mensen die altijd consequent gestudeerd hebben en nooit tweede zit gehad hebben met voldoening afstuderen; terwijl in andere richtingen studenten wiens studiejaren gekenmerkt waren door zware bisjaren en ontelbare herexamens, plots in hun laatste jaar grote onderscheiding haalden. Ik herinner me nog goed die ene bioloog, die in het laatste jaar het verschil tussen ratten en muizen niet kende. Maar wel mooi grote onderscheiding haalde.

Ik vond dat allemaal niet eerlijk.

En diegenen die mij kennen, weten het: ik kan mijn mond niet houden. Dus ik vertelde het aan één van onze proffen. Wat me dwars zat. Weet u wat hij antwoordde? ‘Ja, je hebt gelijk. Maar ik kan daar toch niks aan veranderen.’

Daar kan ik nu eens niet tegen. Zo’n degelijke instelling als de KULeuven zou toch een uniform systeem van quoteren moeten hebben? De punten en graden die je haalt zouden toch een maatstaf moeten zijn om te zien waar je staat? Niet enkel tussen je eigen medestudenten die dezelfde richting volgden, maar ook tussen richtingen – en ja, zelfs faculteiten – onderling? Dat ze daar eens iets aan veranderen, verdomme.

(het zit diep, zelfs na al die jaren nog)

h1

En daarbij, zo’n go-pass kost nu ook weer geen stukken van mensen.

18 juni 2009

Normaal gezien ben ik een heel gemakkelijk mens. Snel content, niet veel nodig. Maar gisteren was ik ècht boos. Dit was de zovéélste keer. Met een go-pass kunnen ze het goed maken.

 

Geachte,

 graag had ik om twee – weliswaar verschillende – redenen klacht neergelegd.

 Zoals steeds vul ik naar behoren mijn go-pass in. Zo ook gisteren, toen ik op woensdag 17 juni 2009 de trein van 17.37 in Leuven richting Oostende nam. Plots stonden we stil na Brussel-Zuid. Een zucht van herkenning en irritatie ontsnapte bij meerdere reizigers. Na tien minuten stil gestaan te hebben verkondigt een conducteur via de intercom in gebrekkig nederlands dat we stilstaan wegens druk treinverkeer. Lijkt me raar te zijn. Naar mijn weten is de NMBS de enige die het verkeer bepaalt op spoorlijnen. Maar goed, lang kan dat niet duren me dunkt. Tot de conducteur na weer tien minuten verkondigt dat we een vertraging van onbepaalde duur hebben. Conducteurs zullen ons meer uitleg komen verschaffen in de coupés zelf. Doch nooit een conducteur gezien. Na nogmaals een half uur te wachten rijden we plots verder. Eens voorbij Brussel-Zuid heet de conducteur ons vrolijk – alsof er nooit iets gebeurd is – welkom op de trein richting Oostende. Met een vertraging van meer dan 45 minuten kom ik aan in Gent St. Pieters.

 Op de site staat vermeldt dat je een compensatie kan vragen voor treinen met een vertraging van meer dan 60 minuten. Hoe grappig. Treinen met een vertraging van meer dan 60 minuten worden over het algemeen afgeschaft wegens de volgende trein die op dat uur vertrekt. Bijgevolg kan je dus ook nooit compensatie vragen voor een langdurige vertraging.

 Een tweede NMBS-favorietje die mijn goesting om met de trein te reizen serieus doet afnemen: de treinen vertrekkende naar alle grote steden vanuit Leuven op vrijdagavond. Ik ga me enkel beperken tot de trein die richting Antwerpen rijdt, omdat dit diegene is die ik het vaakst neem. Over beperken gesproken. “Uitzonderlijk rijdt deze trein met een beperkt aantal coupés. Onze excuses hiervoor.” Deze zin is meer regel dan uitzondering. Studenten zuchten al wanneer ze nog maar horen dat de conducteur iets wilt zeggen. En wederom worden we allemaal als sardienen in een blik vervoerd. Hiervoor betaal ik geen 5 euro. Hiervoor koop ik mij geen treinbiljet.

 Als ik een biljet koop wil ik maar twee dingen: een zitplaats, en de zekerheid om aan te komen op het vooropgestelde uur. Zoveel is dat niet gevraagd, naar mijn bescheiden mening.

 Twee dingen vraag ik van u: één nieuwe go-pass ter compensatie van de voorgenoemde ongemakken. En een paar excuses.

vriendelijke groeten,

h1

Met een lach en een traan.

15 juni 2009

Dat ik met hem kon, had ik geleerd op onze eerste echte reis samen.

Of ik zonder hem kon, vroeg ik me af.

Het antwoord wist ik van zodra hij me thuis had afgezet. We hadden nog samen lekker gegeten, buiten, in het zonnetje. Onze avonturen vertellend aan mijn ouders en zus. Genietend van witte wijn, de zon op onze snoet en echte lekkere Belgische asperges (wat ons na twee weken bonen met rijst ongelofelijk smaakte).

Het antwoord wist ik van zodra hij de auto in stapte en de oprit afreed.

Ik liep terug naar het terras, alwaar mijn mama met vers gezette koffie stond te wachten. “Jij ook een tasje?”, vroeg ze, direct gevolgd door een “En hoe viel dat nu mee, zo’n eerste keer lange tijd samen zijn, ging dat?” Ik keek haar aan en probeerde de brok in mijn keel weg te slikken. Ik wou “ja hoor”, zeggen, maar het enige wat er uit kwam was een ongelofelijk elegante snort gevolgd door een lange snik. En tranen, veel tranen. En ik wou nog zo stoer doen.

“Oei?”, kijkt ze me vragend aan.

“Hij is vertrokken”, was het enige wat ik wist uit te brengen.

“Oh”, zegt ze vertederd, “hoe lief”, en ze geeft me een knuffel. En snikt zelf eventjes mee bij het zien van zoveel verdriet. Vijf minuten later krijg ik zowaar een knuffel van de zus. En voor de gezelligheid snikt ze ook even mee.

Tien minuten later komt papa erbij zitten. “Wat is hier gaande?” vraagt ie.

Drie paar betraande ogen kijken hem aan.

“Hij is vertrokken”, zeg ik nogmaals. 

En dan schieten we allemaal in de lach.

h1

Cuba – de verhalen (4)

10 juni 2009

“Jaha, echt,” zeiden ze, “we zagen hem plots zitten op een trap in één van de zijstraatjes in Havana.” De toeristen die we tegengekomen waren toonden ons hun foto op hun ultragrote fototoestel als bewijs. En daarna nog eens hun lonely planet als vergelijkingsmateriaal.

We keken verwonderd naar de foto.

We zouden zelf nogal wat dagen in Havana verblijven op het einde van de reis, dus hadden we tijd zat daar. We besloten zelf op zoek te gaan naar de man in kwestie. Onze queeste doorheen Havana.

Eens in Havana doorliepen we gedurende drie dagen gans Havana Vieja – het oude stadsgedeelte – zeker vier keer. Nergens te bespeuren. We dachten er al niet meer aan – het einde van de reis naderde immers. Tot plots mijn lief riep “Daar zit ie! Daar zit ie!”

En daar zat ie. 

Ik heb de rest van de dag ongelofelijk geglunderd.

DSC02116

h1

Cuba – de verhalen (3)

9 juni 2009

De Cubaanse gastvrouw klopte op onze slaapkamerdeur. ‘Ola!’, zeg ik, daarbij één van de vijf spaanse woorden die ik ken gebruikend. ‘Ola,’ zegt ze, om vervolgens een kwartier lang een uitleg te doen waarvan ik niets versta, om te besluiten met ‘Comprende?’. Uhm, nee, zeg ik. Ze doet de uitleg opnieuw, maar deze keer met gebaren en beduidend trager. Ik begrijp dat ze al een deel van het huurgeld vraagt, zodat ze in de stad iets kan gaan halen wat ze nodig heeft om eten te maken. Ze had blijkbaar geen cash geld meer. 

Ik vroeg mijn lief, omdat ik niet zeker was of ik het wel juist verstaan had, waarom we het geld nu al moesten geven.

“Ze had grondstoffen nodig in’t stad.”

Grondstoffen.

Wij spelen te veel ‘kolonisten van Catan’.

 

IMG_2684

h1

Cuba – de verhalen (2)

8 juni 2009

‘Yezz, yezz’, zegt hij, ‘piscina.’ Ik kijk in de richting vanwaar de stem komt. Ik draai me weer om, in de hoop in de richting van mijn lief te kijken en vraag ‘Meent hij dat nu? Zwemmen? Hiér?’

We zien geen steek voor ogen. Pikkedonker, als in _pikkedonker_, geen hand zien we voor ogen.

In de casa hadden ze ons een wandeling beloofd van een drietal uren, om vervolgens bij een grot aan te komen alwaar we een half uur zouden kunnen zwemmen, om daarna opgefrist weer aan de tocht terug naar huis te kunnen beginnen. Uiteraard stelden we ons daarbij een blue lagoontje voor, omgeven door palmbomen, prachtig groen, een zonnetje, waterval en een rotswand. Not. Na drie uur wandelen gingen we een grote donkere grot in, vergezeld van een boer inclusief twee lichtfakkels. Na een tiental minuutjes stappen zonder een hand voor ogen te zien stopte hij plots en scheen in, sja, in het niets. Vaag zagen we een blinkend oppervlak.

‘Piscina’, herhaalde hij.

Ik ben als een ezel – ik durf niet in donker water waarvan ik de bodem niet kan zien. Je weet nooit wat er zich onder het wateroppervlak bevindt. Maar toen het Duitse en Amerikaanse meisje die ons vergezeld hadden op de tocht er luid joelend insprongen kon ik toch ook niet achterblijven. 

(nadat mijn lief me verzekerd had dat er zéker geen monsters in gelogeerd waren)

(maar ondanks alles vond ik mezelf toch een beetje stoer)

 

manoptrap